ECLI:NL:CRVB:2008:BG6206

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-722 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging intrekking WAJONG-uitkering wegens onvoldoende motivering arbeidsongeschiktheid

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAJONG-uitkering in te trekken op grond van een vastgestelde arbeidsongeschiktheid van minder dan 25%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelt appellante dat onvoldoende rekening is gehouden met haar medische beperkingen en dat het UWV ten onrechte het vernieuwde Claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS) gebruikte.

De Raad oordeelt dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen en onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. Appellante heeft geen nieuwe medische gegevens of argumenten aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. Wat betreft het gebruik van het CBBS stelt de Raad dat dit systeem als hulpmiddel door het UWV mag worden gebruikt, verwijzend naar eerdere rechtspraak.

De arbeidsdeskundige rapportages geven een deugdelijke en gemotiveerde toelichting dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante. Omdat pas in hoger beroep een volledige toelichting is gegeven, vernietigt de Raad het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen daarvan met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand.

De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAJONG-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

07/722 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 30 november 2006, 06/2507 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 november 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.J.M. Ackermans, medewerker van ARAG-Nederland Algemene Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2008.
Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G. Lavrijsen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 2 december 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 3 februari 2006 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 25% was.
1.2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 7 april 2006 (het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar het bezwaar- en beroepschrift, aangevoerd dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar medische beperkingen. Verder heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het Uwv de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid ten onrechte heeft uitgevoerd met behulp van het (vernieuwde) Claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS).
4.1. De Raad oordeelt als volgt.
4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische beperkingen van appellante. De Raad kan de overwegingen van de rechtbank daarover geheel onderschrijven. In hoger beroep heeft appellante geen medische gegevens overgelegd of argumenten naar voren gebracht die tot een ander oordeel kunnen leiden.
4.3. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat appellante niet kan worden gevolgd in haar stelling dat het CBBS niet door het Uwv kan worden gebruikt als hulpmiddel bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. De Raad volstaat in dit verband met verwijzing naar zijn rechtspraak neergelegd in de uitspraken van 9 november 2004 (LJN AR4716 e.a.) en 12 oktober 2006 (LJN AY9974 e.a.).
Verder is de Raad van oordeel dat in de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige van 6 april 2006 en 31 maart 2007 deugdelijk is toegelicht en gemotiveerd dat de geselecteerde functies die ten grondslag liggen aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, geschikt zijn voor appellante. Die toelichting voldoet aan de eisen die gesteld zijn in eerdergenoemde uitspraken. Nu pas in hoger beroep een volledige en toereikende toelichting is gegeven, leidt dat gelet op de vermelde rechtspraak van de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen daarvan met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand kunnen worden gelaten.
4.4. Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.
5. De Raad ziet aanleiding het Uwv op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 644,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot
€ 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en H. Bedee en P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 november 2008.
(get.) J. Riphagen.
(get.) I.R.A. van Raaij.
JL