ECLI:NL:CRVB:2008:BG6282
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant, die sinds september 2003 vanwege rugklachten niet meer kon werken als schoonmaker, verzocht om een WAO-uitkering. Het UWV weigerde deze uitkering in september 2004 omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Dit besluit werd in maart 2005 bevestigd na bezwaar.
In hoger beroep werd het medisch onderzoek en de beoordeling van de beperkingen door het UWV getoetst. De Raad concludeerde dat het UWV de beperkingen van appellant niet had onderschat. De medische rapportages van neurologen en orthopedisch chirurgen toonden degeneratieve afwijkingen zonder hernia, en de medische situatie in 2008 kon niet worden teruggeprojecteerd op de datum in geschil. Het ontbreken van een eigen lichamelijk onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts werd niet als onzorgvuldig beoordeeld, mede omdat voldoende medische informatie beschikbaar was.
De Raad vernietigde het bestreden besluit vanwege gebrekkige motivering in eerdere fases, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant in zowel beroep als hoger beroep, en werd het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.