ECLI:NL:CRVB:2008:BG6283
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging eerste dag arbeidsongeschiktheid bij WAO-uitkering ondanks verlaging arbeidsuren
Appellante stelde dat haar eerste dag van arbeidsongeschiktheid eerder lag dan 24 september 2002, omdat zij haar arbeidsuren geleidelijk had verminderd wegens medische redenen. Het UWV had de WAO-uitkering toegekend met ingang van 11 mei 2004, met als eerste dag van arbeidsongeschiktheid 24 september 2002. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en het besluit van het UWV vernietigd, behalve voor het schadevergoedingsverzoek.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij als medische afzakker moest worden aangemerkt, waardoor haar dagloon hoger zou zijn omdat het gebaseerd zou moeten zijn op een werkweek van 40 of 32 uur in plaats van 28 uur. De Raad overwoog dat de brief van de werkgever over de verlaging van arbeidsuren per 20 augustus 2002 niet volstaat om een eerdere eerste dag van arbeidsongeschiktheid aan te nemen, omdat daarin geen medische noodzaak wordt vermeld.
Ook de door appellante overgelegde brief van de behandelend arts gaf geen aanwijzingen dat zij vóór 24 september 2002 arbeidsongeschikt was of dat er een medische noodzaak was om de arbeidsuren te verminderen. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank dat 24 september 2002 de eerste dag van arbeidsongeschiktheid is en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De eerste dag van arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd op 24 september 2002, ondanks verlaging van arbeidsuren, omdat onvoldoende medische noodzaak is aangetoond voor een eerdere datum.