ECLI:NL:CRVB:2008:BG6341
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging UWV-besluit inzake recht op ziekengeld na intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering
Appellante was werkzaam als kleuterleidster en viel in juli 2002 uit met klachten. Na een wachttijd kreeg zij een WAO-uitkering, die in 2005 werd ingetrokken op basis van een arbeidsdeskundig rapport dat haar geschikt achtte voor andere functies. Vervolgens verrichtte zij enige tijd arbeid als interieurverzorgster.
Het UWV stelde dat appellante geen recht meer had op ziekengeld vanaf juli 2005, omdat zij passend werk kon verrichten. Dit besluit werd door de rechtbank bevestigd. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep echter dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de uitzondering op de hoofdregel van 'zijn arbeid' van toepassing is, terwijl appellante wel arbeid heeft verricht.
De Raad concludeert dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende draagkrachtige motivering bevat, waardoor het vernietigd wordt. Het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen, waarbij ook de proceskosten van appellante worden vergoed.
De medische beoordeling van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts wordt als zorgvuldig beschouwd, mede door aanvullende informatie van huisarts en psychotherapeut. Appellante heeft geen tegenbewijs geleverd om deze bevindingen te betwisten.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en goed gemotiveerde besluitvorming door het UWV bij het vaststellen van het recht op ziekengeld na intrekking van een WAO-uitkering.
Uitkomst: Het UWV-besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.