ECLI:NL:CRVB:2008:BG6364
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde WAO-uitkering zonder dringende reden tot kwijtschelding
Appellante betwistte de terugvordering van een bedrag van €32.945,52 aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode van 1 februari 2001 tot 1 maart 2003. Zij stelde dat het UWV te laat had gereageerd op haar melding van gedeeltelijke werkhervatting en dat zij hierdoor financiële schade had geleden, waaronder belastingnabetalingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV verplicht was tot terugvordering, dat de hoogte van het bedrag juist was en dat geen dringende reden bestond om van terugvordering af te zien. Het stilzitten van het UWV werd als onwenselijk, maar niet als een dringende reden aangemerkt.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en benadrukte dat een dringende reden alleen kan bestaan bij uitzonderlijke, individuele omstandigheden die onaanvaardbare consequenties voor de betrokkene veroorzaken. De gezondheidsklachten en het procederen van appellante boden hiervoor geen grond. Ook een schadevergoeding werd afgewezen op grond van artikel 8:73 Awb Pro. Het bestreden besluit werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering en wijst het beroep van appellante af.