ECLI:NL:CRVB:2008:BG6510

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6997 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks betwisting medische beperkingen en duurbeperking

Appellant, arbeidsongeschikt sinds 1990 wegens fibromyalgie, verzocht om herbeoordeling van zijn WAO-uitkering. Het UWV herzag de uitkering tweemaal, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld tussen 65 en 100%. Appellant maakte bezwaar tegen het tweede besluit en stelde dat zijn beperkingen, met name een duurbeperking, onvoldoende waren meegewogen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek toereikend was. In hoger beroep betoogde appellant opnieuw dat het medisch onderzoek een essentieel gebrek vertoonde doordat het dagverhaal niet was betrokken. Het UWV verweerde zich met het standpunt dat geen nieuwe medische gegevens waren ingebracht.

De Raad stelde vast dat het medisch onderzoek voldoende onderbouwd was, mede gebaseerd op rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen die geen aanleiding zagen voor een urenbeperking. Het dagverhaal was wel degelijk meegenomen in het onderzoek. Ook de geschiktheid van de geselecteerde functies werd bevestigd. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de eerdere uitspraak.

Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door voorzitter H. Bolt en leden C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.

Uitspraak

06/6997 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 31 oktober 2006, 06/427 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 november 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Buitenpost, hoger beroep ingesteld. Nadien is door deze gemachtigde nog een brief van 22 september 2006 ingezonden.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2008. Appellant en zijn gemachtigde zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Prins. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde het Uwv in de gelegenheid te stellen nadere stukken te overleggen.
Bij brief van 29 juli 2008 heeft het Uwv de desbetreffende stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting is hervat op 15 oktober 2008. Appellant en zijn gemachtigde zijn verschenen. Het Uwv is met bericht niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is in 1990 definitief uitgevallen voor zijn werkzaamheden als leraar wegens gewrichtsklachten (fibromyalgie). In verband daarmee is aan hem een uitkering toegekend ingevolge - thans - de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
1.2. Wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft appellant verzocht om een herbeoordeling. Op grond van de bevindingen en conclusies van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 8 april 2005 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 21 januari 2004 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij een tweede besluit van dezelfde datum heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 9 juni 2005 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Appellant heeft tegen dit tweede besluit van 8 april 2005 bezwaar gemaakt.
1.3. Bij besluit van 8 februari 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het tweede besluit van 8 april 2005 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat het bestreden besluit, gelet op de voorhanden zijnde gegevens, op een toereikende medische grondslag berust en dat er, anders dan appellant heeft gesteld, geen grond is om aan te nemen dat appellant, mits er sprake is van passende arbeid, niet fulltime zou kunnen werken. Ook de arbeidskundige kant van het bestreden besluit achtte de rechtbank niet onjuist.
3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Hij is de opvatting toegedaan dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen, met name is geen rekening gehouden met een duurbeperking. Voorts heeft appellant wederom gesteld dat ten onrechte door de verzekeringsarts niet is gekeken naar het dagverhaal. Appellant acht dat een essentieel gebrek in het medisch onderzoek.
3.2. Het Uwv heeft in verweer verzocht de uitspraak van de rechtbank te bevestigen. Hij heeft er daartoe op gewezen dat appellant in hoger beroep dezelfde gronden heeft aangevoerd als in beroep en geen nieuwe medische gegevens heeft ingebracht.
4. Het oordeel van de Raad.
4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de voorhanden zijnde gegevens geen aanleiding geven om aan te nemen dat de medische beperkingen tot het verrichten van arbeid bij appellant door het Uwv bij het bestreden besluit zijn onderschat. De Raad acht het bestreden besluit op dit punt genoegzaam onderbouwd door de bevindingen en conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Hij verwijst hiervoor naar het rapport van de verzekeringsarts T. Wolters van 16 november 2004, waarin deze arts heeft aangegeven dat er naar haar oordeel geen redenen zijn voor een urenbeperking, naar het rapport van de arbeidsdeskundige J. Bakker van 20 december 2004, waaruit blijkt dat deze, naar aanleiding van de mededeling van appellant dat diens behandelende specialisten van mening zijn dat er een duurbeperking zou moeten worden gesteld, overleg hierover heeft gehad met de verzekeringsarts Wolters, die in de nagekomen medische informatie evenwel geen aanleiding heeft gezien om van haar standpunt in dezen terug te komen, en naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke van 5 november 2005, waarin deze zich heeft gesteld achter het standpunt van de verzekeringsarts Wolters ten aanzien van het niet-aannemen van een urenbeperking. In hetgeen door appellant hiertegen is ingebracht, ziet de Raad geen grond om tot een andersluidend oordeel te komen.
4.2. Ook de grief dat aan het medisch onderzoek een essentieel gebrek kleeft omdat geen aandacht is besteed aan het dagverhaal van appellant kan naar het oordeel van de Raad niet slagen, alleen al niet omdat hem is gebleken uit de in hoger beroep overgelegde stukken dat de verzekeringsarts Wolters in haar rapportage van 16 november 2004 wel aandacht aan het dagverhaal heeft besteed. In rubriek 7 ‘Interview met de cliënt’, onder 7.4 ‘psychosociale anamnese’ is een weergave gegeven van een dagvulling van appellant. Voorts is de Raad niet gebleken dat aan deze gegevens door de verzekeringsarts is voorbij gegaan
4.3. Tot slot acht de Raad genoegzaam toegelicht en onderbouwd dat appellant, gelet op de ten aanzien van hem vastgestelde, in de Functionele mogelijkhedenlijst neergelegde, belastbaarheid, in medisch opzicht in staat is de aan hem geduide functies te verrichten. De Raad wijst hiertoe op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige H.J. van Heun van 6 februari 2006, alsmede op het verslag van het overleg tussen Van Heun en de bezwaarverzekeringsarts Fokke van 8 december 2005.
4.4. Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 november 2008.
(get.) H. Bolt.
(get.) W.R. de Vries.
JL