ECLI:NL:CRVB:2008:BG6567
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Herziening en intrekking WAO- en ZW-uitkeringen bij angststoornissen en agorafobie
Appellante maakte bezwaar tegen het intrekken van haar WAO-uitkering per 27 juni 2005, de beëindiging van haar ZW-uitkering en de weigering van heropening van haar WAO-uitkering wegens vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het UWV had de WAO-uitkering ingetrokken omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou zijn, de ZW-uitkering beëindigd omdat zij hersteld werd geacht en de heropening van de WAO-uitkering geweigerd wegens ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid.
De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig protocol Angststoornissen op het moment van de intrekking nog niet van toepassing was en dat de medische beperkingen, waaronder agorafobie en vervoersproblemen, juist waren meegenomen. Wel werd geoordeeld dat twee van de vijf geselecteerde functies onvoldoende waren gemotiveerd als passend, maar dat dit geen invloed had op het in stand laten van de rechtsgevolgen van het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering. De beëindiging van de ZW-uitkering per 5 december 2005 werd bevestigd, omdat appellante geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan voortzetting van het recht op ziekengeld. De weigering tot heropening van de WAO-uitkering werd eveneens bevestigd wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten aan appellante en wees het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 november 2008.
Uitkomst: Besluit tot intrekking WAO-uitkering vernietigd maar rechtsgevolgen blijven in stand; beëindiging ZW-uitkering en weigering heropening WAO-uitkering bevestigd.