ECLI:NL:CRVB:2008:BG6895
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- J. Riphagen
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende toegenomen beperkingen bij RSI-klachten
Appellante, werkzaam als administratief medewerker, viel in 2001 uit met RSI-klachten en ontving een WAO-uitkering. Na een proefplaatsing en arbeidsovereenkomst bij een werkgever voor 25 uur per week, meldde zij zich ziek vanwege een peesontsteking en beweerde zij toegenomen arbeidsongeschiktheid.
Het UWV herzag haar uitkering en trok deze per 15 februari 2005 in, omdat uit medische en arbeidskundige rapporten bleek dat haar beperkingen niet waren toegenomen en zij geschikt was voor het verrichten van gangbare arbeid, waaronder haar functie bij de werkgever voor 25 uur per week.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat de medische rapporten geen aanwijzingen bevatten voor zwaardere beperkingen en dat de door appellante bepleite toepassing van artikel 39a, eerste lid, WAO niet aan de orde was. De Raad achtte het oordeel van het UWV zorgvuldig en voldoende gemotiveerd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd wegens onvoldoende medische onderbouwing van toegenomen beperkingen.