ECLI:NL:CRVB:2008:BG7252
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling overschrijding redelijke termijn en nabetaling WAO-uitkering
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van het UWV over de herziening van zijn WAO-uitkering en de hoogte van de nabetaling. De bezwaarprocedure duurde bijna 49 maanden, wat appellant te lang vond en aanleiding gaf tot een beroep op artikel 6 EVRM Pro over de redelijke termijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de overschrijding van de redelijke termijn aanvaardbaar was, mede omdat het UWV op verzoek van appellant ook een beslissing nam over de vergoeding van de gestelde schade, wat het proces complexer maakte. Hierdoor werd artikel 6 EVRM Pro niet geschonden. Daarnaast stelde appellant dat hij geen WAO-uitkering had ontvangen over januari en februari 2003. De Raad constateerde dat het UWV dit bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard en vernietigde het besluit hierover, maar verklaarde het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk omdat het besluit en de nabetalingen voortvloeiden uit eerdere uitspraken en correcties.
De Raad wees het verzoek om schadevergoeding af, maar veroordeelde het UWV tot betaling van proceskosten aan appellant. De uitspraak bevestigt het belang van zorgvuldige en tijdige besluitvorming in sociale zekerheidszaken en de mogelijkheid tot vergoeding van proceskosten bij onrechtmatigheden.
Uitkomst: De overschrijding van de redelijke termijn is aanvaardbaar en het bezwaar tegen niet-betaalde WAO-uitkering over januari en februari 2003 is niet-ontvankelijk verklaard.