ECLI:NL:CRVB:2008:BG7391

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6649 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 3 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WUV-uitkering wegens niet voldoen aan nationaliteit en woonplaats vereisten

Appellante, dochter van een tijdens de Japanse bezetting overleden vervolgingsslachtoffer, verzocht om een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). De aanvraag werd afgewezen omdat appellante niet voldeed aan de vereisten van nationaliteit en woonplaats en geen vervolging had ondergaan zoals bedoeld in de Wet.

Appellante stelde dat zij door het overlijden van haar vader wees was geworden en dat zij daarom op grond van de anti-hardheidsbepaling toch recht had op een uitkering. De Raad overwoog dat gelijkstelling met een vervolgde alleen mogelijk is indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, waaronder het ondergaan van vervolging of het voldoen aan nationaliteit en woonplaats eisen.

Omdat appellante noch vervolging had ondergaan, noch voldeed aan de nationaliteit- en woonplaatsvereisten, kon zij niet gelijkgesteld worden met een vervolgde. De Raad oordeelde dat verweerster de aanvraag terecht had afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens wees de Raad een vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens niet voldoen aan nationaliteit en woonplaatsvereisten en het ontbreken van vervolging.

Uitspraak

07/6649 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (Indonesië) (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 4 december 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 5 oktober 2007, kenmerk BZ 47222, JZ/T60/2007, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2008. Aldaar is appellante niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Blijkens de gedingstukken is appellante de dochter van [naam vader], die tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië op 25 februari 1945 in het kamp Ambarawa is omgekomen. In februari 2007 heeft appellante bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wet. Bij besluit van 13 juni 2007, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster de aanvraag van appellante afgewezen. Daarbij is overwogen dat appellante geen vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wet en dat er geen gronden zijn haar met de vervolgde gelijk te stellen omdat zij niet voldoet aan de vereisten van nationaliteit en woonplaats.
2. Appellante kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Zij meent recht te hebben op een periodieke uitkering ingevolge de Wet door het overlijden van haar vader. Zij heeft er op gewezen dat zij hierdoor wees is geworden omdat haar moeder al eerder was overleden. Om die reden had verweerster haar met toepassing van de anti-hardheids-bepaling voor een periodieke uitkering in aanmerking moeten brengen.
3. De Raad overweegt als volgt.
3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante geen vervolging als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet heeft ondergaan. Voorts is niet in geschil dat appellante niet voldoet aan de eisen van nationaliteit en woonplaats, die zijn opgenomen in artikel 3, eerste lid, van de Wet.
3.2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet heeft verweerster de bevoegdheid met de vervolgde gelijk te stellen degene die vervolging heeft ondergaan en niet voldoet aan de vereisten van nationaliteit en woonplaats zoals opgenomen in artikel 3, eerste lid, van de Wet, dan wel degene die voldoet aan de vereisten van nationaliteit en woonplaats en tijdens de oorlogsjaren heeft verkeerd in omstandigheden die overeenkomst vertonen met vervolging, indien sprake is van klaarblijkelijke hardheid.
3.3. Hierbij geldt dat gelijkstelling niet kan plaatsvinden indien zoals in het geval van appellante zowel aan artikel 2 als Pro aan artikel 3, eerste lid, van de Wet niet is voldaan.
3.4. Verweerster heeft mitsdien op goede gronden geweigerd om appellante met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen. Daaraan doet niet af dat verweerster in het algemeen bij het toepassen van de in artikel 3, tweede lid, van de Wet neergelegde mogelijkheid tot gelijkstelling het omkomen van een ouder tijdens vervolging pleegt aan te merken als een omstandigheid die overeenkomst vertoont met vervolging.
3.5 Het voorgaande betekent dat het beroep van appellante ongegrond verklaard moet worden.
4. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 december 2008.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) M. van Berlo.
HD