ECLI:NL:CRVB:2008:BG8139
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over beëindiging ziekengeld ondanks geschiktheid voor arbeid
Appellante was sinds 1999 arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering, die in de loop der jaren werd herzien. Na een onderzoek door een verzekeringsarts op 14 februari 2006 werd zij geschikt bevonden voor haar arbeid en werd het ziekengeld per 15 februari 2006 beëindigd. Het UWV verklaarde het bezwaar tegen dit besluit ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep stelde appellante dat haar medische beperkingen waren onderschat en bracht zij een brief in van haar behandelend chirurg. De Raad overwoog dat het besluit van het UWV berustte op een onjuiste wettelijke grondslag, namelijk artikel 29a ZW in plaats van artikel 19 ZW Pro. De Raad oordeelde dat appellante terecht geschikt was bevonden voor haar arbeid, ondanks incontinentieklachten die zij met opvangmiddelen kon beheersen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand op grond van artikel 8:72 Awb Pro. Tevens veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt vernietigd wegens onjuiste wettelijke grondslag, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.