ECLI:NL:CRVB:2008:BG8234
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering
Appellante ontving sinds 2000 een WAO-uitkering wegens psychische en lichamelijke klachten. Het UWV trok deze uitkering per 13 maart 2005 in na een herbeoordeling die uitwees dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. De rechtbank Maastricht vernietigde dit besluit in 2005 vanwege onvoldoende medische onderbouwing en beval een nieuw besluit.
Na aanvullend onderzoek stelde het UWV een aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op en handhaafde het besluit tot intrekking. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het UWV voldoende rekening had gehouden met de klachten van appellante en dat de medische situatie per datum van het besluit leidend was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen en klachten onvoldoende waren erkend en dat zij niet adequaat was onderzocht. De Raad stelde vast dat de medische beperkingen correct waren vastgesteld en dat een later verslechterde gezondheidstoestand niet in dit geding relevant was. Wel oordeelde de Raad dat het motiveringsbeginsel was geschonden doordat de toelichting op de FML en de geschiktheid van functies pas in hoger beroep adequaat was gegeven.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit, verklaarde het beroep gegrond, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit ongewijzigd blijven. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.