ECLI:NL:CRVB:2008:BG8375
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende onderbouwing arbeidsdeskundig onderzoek
Appellante ontving sinds 19 februari 2002 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid door allergieklachten en bekken- en rugklachten. Het UWV herbeoordeelde haar situatie en trok de uitkering per 18 april 2006 in, omdat zij geschikt werd geacht voor diverse functies zonder verlies van verdienvermogen.
In bezwaar en beroep voerde appellante aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar klachten als gevolg van de ziekte van Ménière. Hoewel medische rapporten en aanvullend onderzoek werden overgelegd, concludeerden de bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld en de functies passend waren.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de klachten in de Functionele Mogelijkheden Lijst waren verwerkt. Echter, omdat het UWV pas in hoger beroep een afdoende arbeidskundige onderbouwing gaf, werd het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 Awb Pro. De rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende arbeidskundige onderbouwing, maar de rechtsgevolgen blijven gehandhaafd.