ECLI:NL:CRVB:2008:BG8439
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat suppleties op WAO-uitkeringen tot premieloon behoren ondanks beëindiging arbeidsovereenkomst
In deze zaak stond centraal of suppleties op WAO-uitkeringen die aan een directeur werden betaald, tot het premieloon behoren waarvoor premies moeten worden ingehouden. Appellante had geen premies ingehouden en werd daarom geconfronteerd met correctienota’s van het UWV over de jaren 2002 tot en met 2004.
Appellante voerde aan dat de arbeidsovereenkomst met de directeur reeds op 25 maart 2002 was beëindigd, omdat hij vanaf dat moment geen werkzaamheden meer verrichtte. Tevens werd een beroep gedaan op de Beleidsregels beoordeling dienstbetrekking en op het Europese recht. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de Raad bevestigt deze uitspraak.
De Raad oordeelde dat de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk was overeengekomen te eindigen per 30 november 2004 en dat het feit dat de directeur geen werkzaamheden meer hoefde te verrichten, niet tot een eerdere beëindiging leidde. De beleidsregels waren niet van toepassing omdat het bestaan van een dienstbetrekking niet ter discussie stond. Ook het beroep op Europees recht faalde omdat het geschil uitsluitend ging over de vraag of suppleties tot het premieloon behoren.
De Raad bevestigde dat suppleties op WAO-uitkeringen tot het premieloon behoren, zoals ook volgt uit een arrest van de Hoge Raad uit 1995. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat suppleties op WAO-uitkeringen tot het premieloon behoren en wijst het hoger beroep af.