ECLI:NL:CRVB:2008:BG8441
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk als klassenassistente
Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WAO-uitkering per 10 maart 2006, omdat het UWV oordeelde dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. De rechtbank Utrecht had het besluit van het UWV bevestigd, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellante geschikt was voor haar eigen werk als klassenassistente.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat de bezwaarverzekeringsarts zich baseerde op dossieronderzoek en haar niet persoonlijk onderzocht had. De Raad overwoog dat dit op zich niet leidt tot onzorgvuldige besluitvorming, conform vaste rechtspraak. Tevens stelde appellante dat haar dagverhaal onvoldoende rekening hield met haar psychische klachten, maar de Raad stelde vast dat de artsen hiervan op de hoogte waren en dat de latere ondersteuningsgegevens niet relevant waren voor het moment van onderzoek.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellante geschikt was voor haar eigen werk als klassenassistente, mede gelet op de arbeidsmarktinformatie. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werden geen gronden gevonden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De intrekking van de WAO-uitkering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellante geschikt is voor haar eigen werk.