ECLI:NL:CRVB:2008:BG8441

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-943 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk als klassenassistente

Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WAO-uitkering per 10 maart 2006, omdat het UWV oordeelde dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. De rechtbank Utrecht had het besluit van het UWV bevestigd, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellante geschikt was voor haar eigen werk als klassenassistente.

In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat de bezwaarverzekeringsarts zich baseerde op dossieronderzoek en haar niet persoonlijk onderzocht had. De Raad overwoog dat dit op zich niet leidt tot onzorgvuldige besluitvorming, conform vaste rechtspraak. Tevens stelde appellante dat haar dagverhaal onvoldoende rekening hield met haar psychische klachten, maar de Raad stelde vast dat de artsen hiervan op de hoogte waren en dat de latere ondersteuningsgegevens niet relevant waren voor het moment van onderzoek.

De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellante geschikt was voor haar eigen werk als klassenassistente, mede gelet op de arbeidsmarktinformatie. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werden geen gronden gevonden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De intrekking van de WAO-uitkering blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellante geschikt is voor haar eigen werk.

Uitspraak

07/943 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 januari 2007, 06/2464
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 december 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.I. Tonk, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Door de Raad desverzocht heeft het Uwv nog enige inlichtingen verstrekt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2008. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. van Dam.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak daaromtrent, gelet op de gedingstukken met juistheid, heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat het Uwv bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 12 mei 2006 het besluit van 10 januari 2006 heeft gehandhaafd. Bij laatstgenoemd besluit heeft het Uwv de aan appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering verleende uitkering met ingang van 10 maart 2006 ingetrokken, op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.
2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak overwogen dat zij, gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder met name de rapporten van de verzekeringsarts J.L.E. Tjon-A-Sam van 6 september 2005 en de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal van 31 maart 2006, geen aanleiding ziet om het Uwv niet te volgen in diens standpunt dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 10 maart 2006 in voldoende mate met haar beperkingen rekening is gehouden. Er is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een volledig en voldoende zorgvuldig medisch onderzoek.
2.2. Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting heeft de rechtbank zowel de geschiktheid van appellante onderschreven voor de door haar laatstelijk voor haar uitval verrichte werkzaamheden van klassenassistente als ook voor de werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies in het kader van een theoretische schatting van appellantes arbeidsmogelijkheden. Daarop heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten.
3.1. In hoger beroep heeft appellante opnieuw aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat de bezwaarverzekeringsarts zich heeft gebaseerd op gedateerde informatie en zij niet door deze persoonlijk is onderzocht.
3.2. Dienaangaande overweegt de Raad dat de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 17 oktober 2001 (gepubliceerd in RSV 2002/16), heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat een bezwaarverzekeringsarts heeft volstaan met dossieronderzoek en dat een zelfstandig medisch onderzoek van betrokkene door een bezwaarverzekeringsarts achterwege is gebleven, niet betekent dat alleen daarom al sprake is van onzorgvuldige besluitvorming. Dit oordeel is in overeenstemming met de vaste rechtspraak van de Raad. De Raad ziet geen aanleiding hieromtrent thans anders te oordelen.
3.3. Van de zijde van appellante is voorts bestreden dat uit haar dagverhaal zou blijken dat zij redelijk adequaat persoonlijk en sociaal functioneert. Daarbij is door de verzekeringsarts van belang geacht dat zij in staat zou zijn hele dagen actief te zijn met haar kinderen en met huishoudelijke bezigheden. Appellante heeft haar stelling doen steunen op een indicatiebesluit van het CIZ tot toekenning van een aantal uren huishoudelijke verzorging, activerende begeleiding en ondersteunende begeleiding, een verklaring van Rivas, jeugdmaatschappelijk werk, met betrekking tot aan appellante gegeven opvoedingsondersteuning, en een overzicht van de door haar gebruikte psychofarmaca.
3.4. De Raad stelt vast dat de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen op de hoogte waren van de aard van de psychische klachten van appellante en daarmee rekening hebben kunnen houden. De door appellante overgelegde gegevens betreffende aan haar gegeven ondersteuning en medicatie zien op de situatie vanaf oktober 2006 en daarna en kunnen, wat daarvan verder ook zij, niet bepalend zijn voor de vraag of het door de verzekeringsarts bij haar onderzoek van 6 september 2005 opgenomen dagverhaal een juiste weergave vormt van appellantes dagbesteding. De Raad heeft overigens ook geen reden om aan de bevindingen dienaangaande van de verzekeringsarts, als weergegeven in het rapport van 6 september 2005, te twijfelen.
4. Hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld omtrent de geschiktheid van appellante voor haar eigen werk van klassenassistente wordt door de Raad, mede gelet op de in hoger beroep verkregen inlichtingen omtrent het voorkomen van deze functie op de Nederlandse arbeidsmarkt, onderschreven.
5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2008.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
KR