ECLI:NL:CRVB:2008:BG8540
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was het niet eens met het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering in te trekken omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit. In hoger beroep stelde appellante dat haar lichamelijke en psychische beperkingen toenamen en dat zij volledig arbeidsongeschikt was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordeling van het UWV juist was. De verzekeringsartsen concludeerden dat appellante geschikt was voor licht fysiek werk en dat er geen aanwijzingen waren voor beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren of voor een duurbeperking. Ook was er geen objectieve oorzaak gevonden voor de vermoeidheidsklachten en was appellante niet bedlegerig.
Hoewel appellante later een Ziektewetuitkering ontving wegens psychische klachten, was dit na de datum van het bestreden besluit en deed dit niet af aan de juistheid van de eerdere beoordeling. De Raad vond dat het UWV voldoende had aangetoond dat de functies passend waren bij haar belastbaarheid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende medische en arbeidskundige grondslag voor arbeidsongeschiktheid.