ECLI:NL:CRVB:2008:BG8879
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsing WAO-uitkering wegens vermoedens van werknemersfraude
Appellant ontving een WAO-uitkering die in juni 2004 was vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55%. Daarnaast kreeg hij een WW-uitkering voor een arbeidsurenverlies van 20 uur per week. Naar aanleiding van een anonieme melding startte het Uwv een onderzoek wegens vermoedens dat appellant werkzaamheden verrichtte zonder dit te melden, wat mogelijk invloed had op zijn uitkeringsrecht.
Op 8 maart 2005 besloot het Uwv de WAO-uitkering per 1 april 2005 te schorsen vanwege het vermoeden dat appellant niet langer recht had op de volledige uitkering. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd op 17 mei 2005 ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat het Uwv terecht het gegronde vermoeden had dat appellant mogelijk geen of een lagere uitkering toekwam.
In hoger beroep stelde appellant dat de conclusies in het rapport werknemersfraude onjuist waren en dat de lange duur van het onderzoek de schorsing onevenredig maakte. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en bevestigde dat de schorsing rechtmatig was en dat de onderzoeksduur geen reden was om de schorsing te matigen. Er werden geen proceskosten toegekend. De uitspraak werd op 3 december 2008 gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De schorsing van de WAO-uitkering wegens vermoedens van werknemersfraude wordt bevestigd en het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.