AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging en beoordeling hoger beroep inzake korting en terugvordering WAO-uitkering wegens hennepkwekerij
Betrokkene ontving een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na ontdekking van een hennepkwekerij in zijn woning en inbeslagname van 78 planten, stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid bij en vorderde een bedrag van ruim €9.500 terug wegens vermeende inkomsten uit arbeid.
De rechtbank verklaarde beroepen van betrokkene gegrond en vernietigde besluiten over de mate van arbeidsongeschiktheid en terugvordering, omdat het UWV onvoldoende had gemotiveerd dat er vier oogsten waren geweest. Het UWV ging in hoger beroep en stelde dat de berekening gebaseerd was op betrouwbare bronnen en een kweekcyclus van tien weken.
De Centrale Raad van Beroep stelde ambtshalve vast dat de rechtbank had verzuimd te beslissen op beroepen tegen twee besluiten, wat leidde tot vernietiging van de uitspraak. De Raad oordeelde dat het UWV voldoende zorgvuldig onderzoek had verricht en dat het bewijs in bestuursrechtelijke procedures andere vereisten kent dan in strafzaken. De beroepen tegen twee besluiten werden niet-ontvankelijk verklaard, tegen de andere twee ongegrond.
De Raad wees ook argumenten van betrokkene af over de toepasselijkheid van herziening van de WAO-uitkering en de aard van de arbeid. De uitspraak werd gedaan door drie raadsheren en uitgesproken op 24 december 2008.
Uitkomst: De beroepen tegen twee besluiten werden niet-ontvankelijk verklaard en tegen twee andere besluiten ongegrond, met vernietiging van de eerdere uitspraak wegens verzuim rechtbank.
Uitspraak
07/1043 WAO
07/1044 WAO
07/1403 WAO
07/1404 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
en
[Naam betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 januari 2007, 06/741 en 06/2356 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
betrokkene
en
het Uwv.
Datum uitspraak: 24 december 2008
I. PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. G.J.J.M. Pubben, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft het Uwv een aantal stukken ingezonden.
De Raad heeft de gedingen gevoegd. Het onderzoek ter zitting in de gedingen heeft plaatsgevonden op 12 november 2008. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Florijn. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Pubben voornoemd.
II. OVERWEGINGEN
1. Betrokkene ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 10 mei 2005 is in de woning van betrokkene een hennepkwekerij aangetroffen en zijn 78 hennepplanten en de benodigde apparatuur in beslag genomen.
2. Bij besluit van 8 december 2005 heeft het Uwv aan betrokkene bericht, dat de betaling van zijn WAO-uitkering wegens inkomsten uit arbeid in de periode van 15 juni 2004 tot 10 mei 2005 dient plaats te vinden alsof de mate van arbeidsongeschiktheid 15 tot 25% bedraagt. Het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit is door het Uwv bij besluit op bezwaar van 3 januari 2006 (besluit 1) ongegrond verklaard. Bij besluit op bezwaar van 7 juli 2006 (besluit 2) heeft het Uwv betrokkene bericht dat de in besluit 1 genoemde mate van arbeidsongeschiktheid nader is vastgesteld op een percentage van 25 tot 35.
3. Bij besluit van 8 december 2005 heeft het Uwv aan betrokkene bericht dat van hem wordt teruggevorderd een bedrag van
€ 10.016,51 aan ten onrechte betaalde WAO-uitkering over de periode van 15 juni 2004 tot 10 mei 2005. Het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit is door het Uwv bij besluit op bezwaar van 19 mei 2006 (besluit 3) ongegrond verklaard. Bij besluit op bezwaar van 7 juli 2006 (besluit 4) heeft het Uwv betrokkene bericht dat het in besluit 3 genoemde bedrag van de terugvordering nader is vastgesteld op een bedrag van € 9.524,97.
4. De rechtbank heeft de beroepen van betrokkene gegrond verklaard, de besluiten 2 en 4 vernietigd en het Uwv opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van betrokkene tegen de besluiten 2 en 4. De rechtbank heeft voorts beslissingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank heeft daartoe overwogen - kort weergegeven - dat het Uwv de berekening van het inkomen van betrokkene uit de hennepkwekerij, door op geleide van de aangifte van Eneco uit te gaan van vier hennepoogsten, onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat Eneco is uitgegaan van een langere periode van het in bedrijf zijn van de hennepkwekerij dan het Uwv doet en daarbij telkens tussen de kweekcycli van 10 weken een extra week heeft aangehouden ten behoeve van het rooien en het verzorgen van nieuwe beplanting. Als met dit laatste rekening wordt gehouden zou betrokkene in de door het Uwv aangehouden periode ten hoogste drie oogsten hebben kunnen realiseren.
5. Het Uwv voert in hoger beroep aan - kort weergegeven - dat voor de berekening van het inkomen van betrokkene is uitgegaan van een opbrengst van vier hennepoogsten, omdat dit aantal is genoemd in de aangifte van Eneco van 11 mei 2005 alsmede in het proces-verbaal inzake wederrechtelijk verkregen voordeel van 29 juni 2005 van de financiële recherche van de regiopolitie Utrecht. Daarnaast wijst het Uwv erop dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van kweekcycli van telkens 11 weken, omdat uit het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ van het Bureau Ontnemingswetgeving van het openbaar ministerie van april 2005 blijkt, dat in beginsel wordt uitgegaan van een kweekcyclus van tien weken, die bestaat uit een groei-en bloeitijd van gemiddeld negen weken en een week leegstand voor het oogsten, opruimen en planten van nieuwe stekken.
6. Betrokkene voert in hoger beroep aan - kort weergegeven - 1) dat als ‘pleegperiode’ dient te worden uitgegaan van de periode van 1 januari 2005 tot 10 mei 2005, omdat de politierechters daarvan zijn uitgegaan bij hun veroordelingen van betrokkene, 2) dat de WAO-uitkering van betrokkene niet kan worden herzien op grond van het bepaalde in artikel 44, zevende lid, van de WAO en 3) dat (subsidiair) herziening van de WAO-uitkering van betrokkene achterwege dient te blijven omdat het kweken van hennep niet kan worden aangemerkt als algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de WAO.
De Raad oordeelt als volgt.
7. De Raad stelt ambtshalve vast dat de rechtbank heeft verzuimd om te beslissen op de beroepen tegen de besluiten 1 en 3. Dit moet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
8. Het hoger beroep van betrokkene.
8.1. De eerste grief van betrokkene slaagt niet. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat betrokkene de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden door het Uwv niet mede te delen dat hij in zekere periode inkomsten uit arbeid verwierf. Voorts stelt de Raad vast dat het Uwv terzake een voldoende zorgvuldig onderzoek heeft verricht. De omstandigheid dat de politierechter, bij de twee veroordelingen van betrokkene terzake van feiten die verband houden met de hennepteelt, is uitgegaan van een pleegperiode van 1 januari 2005 tot 10 mei 2005, brengt niet met zich dat ook de bestuursrechter in zijn beoordeling van een besluit ter uitvoering van de WAO van deze periode zal hebben uit te gaan. De Raad volstaat hier met de opmerking dat in een strafrechtelijke procedure aan de rechter niet alleen een andere vraag ter beantwoording wordt voorgelegd, maar dat bovendien een aanmerkelijk verschil bestaat tussen de vereisten waaraan het bewijs in strafzaken moet voldoen, en de vereisten voor het bewijs in een bestuursrechtelijke beroepsprocedure.
8.2. De tweede grief van betrokkene slaagt evenmin, reeds nu het bepaalde in het zevende lid van artikel 44 vanPro de WAO, dat is ingevoerd met de Wet van 10 november 2005, Staatsblad 2005, 573, eerst in werking is getreden op 29 december 2005 en derhalve nog niet van toepassing was in de in geding zijnde periode, terwijl deze bepaling overigens ziet op de herziening van de WAO-uitkering wegens het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid. Een herziening is thans niet aan de orde, doch een (gedeeltelijk) niet uitbetalen van de WAO-uitkering wegens inkomsten uit arbeid.
8.3. De derde grief van betrokkene kan evenmin slagen. Ook deze grief ziet eraan voorbij dat het te dezen niet gaat om een herziening van de WAO-uitkering van betrokkene, maar om een (gedeeltelijk) niet uitbetalen van de WAO-uitkering wegens inkomsten uit arbeid. De mogelijke onwettigheid van de inkomsten uit arbeid doet niet af aan de toepassing van artikel 44 vanPro de WAO.
9. Het hoger beroep van het Uwv.
9.1. Hetgeen door het Uwv in hoger beroep naar voren is gebracht kan de Raad onderschrijven. Zowel in de aangifte van Eneco als in het proces-verbaal van de politie, waar het Uwv zijn standpunt op heeft gebaseerd, wordt ervan uitgegaan dat betrokkene in de periode voorafgaand aan 10 mei 2005 met zijn hennepkwekerij vier oogsten moet hebben gehad.
9.2. Door betrokkene zijn, anders dan door verwijzing naar de periode van hennepteelt waarmee bij zijn strafrechtelijke veroordeling is rekening gehouden, geen concrete en verifieerbare feiten en omstandigheden naar voren gebracht die zouden moeten doen twijfelen aan de aanname van vier oogsten. Het Uwv heeft voorts voldoende aannemelijk
gemaakt dat te dezen terecht is uitgegaan van een kweekcyclus, inclusief een week ‘leegstand’, van tien weken.
10. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, de beroepen tegen de besluiten 2 en 4 ongegrond verklaren. Mede gelet op het verhandelde ter zitting zal de Raad het beroep tegen de besluiten 1 en 3 niet-ontvankelijk verklaren.
11. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is beslist over de proceskosten en het griffierecht;
Verklaart het beroep tegen de besluiten 1 en 3 niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen de besluiten 2 en 4 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bedee en P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 december 2008.