ECLI:NL:CRVB:2008:BG9244
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over beëindiging ziekengeld wegens arbeidsgeschiktheid
Appellant meldde zich op 1 februari 2006 ziek wegens rugklachten en ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Hij was voorheen werkzaam als chauffeur en medewerker rozenteelt bij een rozenkwekerij, met een werkweek van circa 52,65 uur. Op 1 juni 2006 stelde de verzekeringsarts vast dat appellant niet langer ongeschikt was voor zijn laatst verrichte werk en verklaarde hem per 6 juni 2006 hersteld. Het UWV beëindigde daarop het ziekengeld.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en vond het medisch onderzoek zorgvuldig. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij met zijn klachten op 6 juni 2006 niet in staat was het zware werk te verrichten.
De Raad liet het UWV een gedegen rapport van een bezwaararbeidsdeskundige overleggen, waarin de aard, omvang en zwaarte van het werk nauwkeurig werden beschreven. De Raad concludeerde dat appellant geen beperkingen had die hem belemmerden het werk te verrichten. Hoewel appellant stelde dat het werk zwaarder was dan beschreven, was dit niet onderbouwd.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit van het UWV wegens een motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant.
Uitkomst: Het bestreden besluit van het UWV wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.