ECLI:NL:CRVB:2008:BG9542
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geschiktheid voor lichte, rugsparende arbeid ondanks rugklachten
Appellant, werkzaam als algemeen medewerker, meldde zich ziek wegens rugklachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een bezwaarverzekeringsarts concludeerde het UWV dat appellant geschikt was voor lichte, rugsparende arbeid. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn rugklachten werden onderschat en dat de pijnbehandeling niet was afgewacht, maar de Raad vond het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig.
De bezwaarverzekeringsarts had gerapporteerd dat de werkzaamheden licht waren, zittend konden worden uitgevoerd en dat er mogelijkheden waren om te lopen. De brief van de behandelend orthopedisch chirurg, waarin werd gesteld dat de pijnbehandeling geen resultaat had, gaf geen aanleiding tot een ander oordeel.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarbij het recht op ziekengeld werd beëindigd omdat appellant niet langer ongeschikt was voor arbeid. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellant geschikt is voor lichte, rugsparende arbeid wordt bevestigd.