ECLI:NL:CRVB:2008:BG9621

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2623 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZiektewetArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens juiste vaststelling belastbaarheid

Appellante werd in augustus 2002 wegens rugklachten ongeschikt voor haar werk als orderpicker. Na een wachttijd van 52 weken werd haar vanaf 9 augustus 2003 geen WAO-uitkering meer toegekend omdat zij geschikt werd geacht voor andere functies met passend loon. Op 11 oktober 2004 meldde zij zich ziek wegens toegenomen rugklachten vanuit een WW-uitkeringssituatie.

Het UWV besloot op 7 februari 2005 dat appellante geen recht meer had op ziekengeld omdat zij niet ongeschikt was voor de geselecteerde functies. Dit besluit werd op 25 juli 2005 gehandhaafd na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, mede op basis van rapporten van een internist en een orthopedisch chirurg die de belastbaarheid bevestigden.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank. De medische rapporten tonen aan dat appellante op de datum in geding in staat was om fulltime te werken binnen de vastgestelde beperkingen. Haar stelling dat zij niet kon werken werd niet met medische gegevens onderbouwd. De Raad bevestigt daarom dat appellante terecht niet ongeschikt werd geacht en dat het recht op ziekengeld terecht is beëindigd.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

07/2623 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 28 maart 2007, 05/3126 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 31 december 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.E.F. Bredo, advocaat te Berkel-Enschot, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2008.
Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bredo. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is in augustus 2002 wegens rugklachten ongeschikt geworden voor haar werk als orderpicker bij [naam werkgever]. In aansluiting op de wachttijd van 52 weken is aan appellante met ingang van 9 augustus 2003 geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Zij werd destijds niet geschikt geacht voor haar eigen werk, maar wel in staat geacht om functies te vervullen tegen een zodanig loon, dat geen sprake was van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO.
1.2. Appellante heeft zich 11 oktober 2004 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet wegens toegenomen rugklachten ziek gemeld.
2. Bij besluit van 7 februari 2005 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 8 februari 2005 geen recht meer had op ziekengeld, omdat zij niet meer wegens ziekte of gebrek ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid
(de geselecteerde functies).
3. Bij besluit van 25 juli 2005 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 7 februari 2005 ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij beslissende betekenis toegekend aan de op haar verzoek door twee deskundigen uitgebrachte rapporten, te weten een rapport van internist-MDL-arts dr. E.W. van der Hoek betreffende een onderzoek op 3 maart 2006 en een rapport van 9 augustus 2006 van orthopedisch chirurg C.W. Jolles.
5.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Beide voornoemde deskundigen hebben na onderzoek van appellante en kennisneming van de beschikbare medische gegevens, waaronder die van de behandelend sector, geconcludeerd dat zij kunnen instemmen met de ten aanzien van appellante vastgestelde belastbaarheid. Voornoemde orthopedisch chirurg heeft in antwoord op de hem voorgelegde vraagstelling verder geconcludeerd dat appellante met inachtneming van deze beperkingen op de datum in geding in staat moest worden geacht om fulltime te werken.
5.2. Appellante heeft haar in hoger beroep herhaalde standpunt, dat haar beperkingen op 8 februari 2005 van dien aard waren dat het verrichten van werk niet mogelijk was, niet met medische gegevens onderbouwd. Dat appellante ten tijde in geding nog onder behandeling was van een neuroloog neemt verder niet weg dat haar belastbaarheid juist is vastgesteld.
5.3. Nu vorenbedoelde functies de vastgestelde belastbaarheid niet overschrijden, is appellante naar het oordeel van de Raad terecht op de datum in geding niet ongeschikt geacht om tenminste één van die functies te vervullen, zijnde in dit geval de maatstaf arbeid in de zin van artikel 19 van Pro de Ziektewet.
5.4. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.3 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in de zin van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 december 2008.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) E.M. de Bree.
KR