Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging vaststelling maatmaninkomen zelfstandig tandarts bij WAO-uitkering
Appellante, een zelfstandig tandarts die vrijwillig verzekerd was onder de WAO, werd in 1999 arbeidsongeschikt verklaard en ontving een uitkering gebaseerd op een vastgesteld maatmaninkomen per uur. Dit maatmaninkomen werd berekend op basis van 1225 werkuren per jaar, inclusief praktijkuren, acquisitie, administratie en reisuren naar verschillende praktijken waar zij als waarnemer werkte.
Appellante stelde in hoger beroep dat alleen de uren waarin zij daadwerkelijk als tandarts werkte, en niet de reisuren of indirecte uren, in aanmerking genomen mochten worden bij de berekening van haar maatmaninkomen. Tevens voerde zij aan dat het Uwv met het bestreden besluit in strijd handelde met het vertrouwensbeginsel vanwege een eerdere andere methode van vaststelling.
De Raad oordeelde dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt omdat het maatmaninkomen bij latere beoordelingen opnieuw kan worden vastgesteld. Daarnaast is het inherent aan de zelfstandige praktijkuitoefening van appellante dat reisuren en indirecte uren noodzakelijk zijn en bij de berekening van het maatmaninkomen mogen worden betrokken. De Raad bevestigde dat het Uwv het juiste aantal uren heeft gehanteerd en dat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op juiste gronden is gebaseerd.
Daarmee werd het beroep van appellante ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van het maatmaninkomen inclusief reisuren wordt bevestigd.
Uitspraak
07/1634 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 22 januari 2007, 06/3057 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 31 december 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. T.M. van Swam, werkzaam bij het Centrum InkomensVerwerving en Arbeid te Brunssum, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door
mr. Van Swam voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.H.J.A. Olthof.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante was in 1998 als zelfstandig tandarts werkzaam en vrijwillig verzekerd ingevolge de WAO. Op 14 december 1998 viel zij wegens ziekte uit. Met ingang van 13 december 1999 werd haar een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Overeenkomstig de via de accountant van appellante gedane opgave werd door (de rechtsvoorganger van) het Uwv voor de vaststelling van het maatmaninkomen per uur ervan uitgegaan dat appellante in 1998 op 911,5 uren werkzaam was geweest. Deze 911,5 uren bestonden uit praktijkuren en uren ten behoeve van acquisitie en administratie. Buiten beschouwing bleven de door appellante gemelde, maar niet gespecificeerde, uren ten behoeve van onder meer overleg met het ziekenfonds en de financier, scholing en reizen.
2. In het kader van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten werd appellante in 2005 herbeoordeeld. Een arbeidsdeskundige van het Uwv stelde vast dat appellante in 1998 bij haar aangifte inkomstenbelasting zelfstandigenaftrek had geclaimd. Voor de berekening van het maatmaninkomen per uur ging hij daarom uit van de voor deze aftrek minimaal vereiste 1225 werkuren per jaar en mitsdien van gemiddeld 23,55 uren per week.
3. Bij besluit van 6 december 2005 berichtte het Uwv aan appellante dat zij voor de toepassing van de WAO ongewijzigd voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 18 mei 2006 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
4. Het beroep van appellante tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen – kort weergegeven – dat bij de vaststelling van het maatmanuurinkomen van appellante er, overeenkomstig de door haar aan de fiscus gedane en door deze geaccepteerde opgave, van moet worden uitgegaan dat zij in 1998 (ten minste) 1225 uren werkzaam is geweest.
5. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat bij de vaststelling van haar maatmaninkomen uitsluitend mag worden uitgegaan van de uren waarin zij feitelijk als tandarts werkzaam is geweest (zijnde de praktijkuren en de uren ten behoeve van acquisitie en administratie), zodat uren waarmee feitelijk geen inkomen wordt gegenereerd, meer in het bijzonder reisuren, buiten beschouwing dienen te blijven. Voorts acht appellante het niet redelijk dat de reisuren bij de berekening van haar maatmaninkomen zijn betrokken, terwijl dergelijke uren niet bij de bij de schatting in aanmerking genomen loondienstfunctie in aanmerking zijn genomen. Ten slotte meent appellante dat het Uwv met het bestreden besluit in strijd handelt met het vertrouwensbeginsel nu eerder een andere methode van vaststelling van het maatmaninkomen is gehanteerd.
6. De Raad overweegt het volgende.
6.1. Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen. Bij een beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid op een latere datum kan het maatmaninkomen opnieuw worden vastgesteld. De noodzaak daartoe zal zich doen gelden in een geval waarin het uitvoeringsorgaan tot de bevinding komt dat een eerdere vaststelling van het maaninkomen niet juist was. Voorts is de Raad niet gebleken, en door appellante is dit ook niet gesteld, dat door het Uwv aan appellante ondubbelzinnig, ongeclausuleerd en schriftelijk is bericht dat het ten behoeve van de aan appellante met ingang van 13 december 1999 verstrekte uitkering vastgestelde maatmaninkomen per uur door haar als een onveranderlijk gegeven kan worden beschouwd.
6.2. De grief van appellante dat het onredelijk is dat de reisuren bij de vaststelling van haar maatmaninkomen wel, maar bij de vaststelling van de door haar gerealiseerde restverdiencapaciteit niet in aanmerking zijn genomen, kan evenmin slagen. Uit de rapportage van de arbeidsdeskundige van het Uwv van 5 december 2005 leidt de Raad af, dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante heeft vastgesteld door haar nieuw vastgestelde maatmaninkomen per uur te vergelijken met het door haar gerealiseerde inkomen per uur als tandarts in loondienst. De Raad stelt vast, dat appellante in 1998 als zelfstandig waarnemer werkzaam was in de praktijk van negen andere tandartsen. Het reizen naar en van deze praktijken was derhalve inherent aan haar praktijk als zelfstandig waarnemend tandarts. Zij heeft haar honorarium daarop kunnen afstemmen. Appellante heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat het Uwv het door haar gerealiseerde inkomen per uur ten tijde van de onderhavige schatting onjuist heeft vastgesteld doordat daarbij ten onrechte geen rekening zou zijn gehouden met in haar loon verdisconteerde reisuren.
6.3. Wat tenslotte de grief van appellante betreft dat bij de vaststelling van haar maatmaninkomen per uur het Uwv uitsluitend rekening had mogen houden met uren waarin zij als zelfstandig tandarts haar inkomen heeft gegenereerd overweegt de Raad als volgt. De Raad heeft eerder geoordeeld, zo in zijn uitspraak van 13 december 2005 (LJN AU8095), dat bij de vaststelling van de omvang van de maatmanfunctie van een zelfstandige de reistijd in aanmerking kan worden genomen. De Raad ziet geen reden daar in het onderhavige geval anders over te oordelen. Ook andere door appellante in 1999 als ‘indirect’ aangemerkte uren, zoals voor overleg met het ziekenfonds en een financier alsmede voor scholing, kunnen door de Raad niet anders worden gezien dan als uren die een zelfstandige als appellante noodzakelijkerwijs diende te maken ten behoeve van haar praktijkuitoefening en derhalve direct bijdroegen aan het genereren van haar inkomen. Door appellante is niet bestreden dat het Uwv, indien rekening wordt gehouden met reisuren en andere door haar als ‘indirect’ aangemerkte uren, bij de berekening van het maatmaninkomen per uur van het juiste aantal uren is uitgegaan. Ook deze grief van appellante kan haar mitsdien niet baten.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Riphagen en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 december 2008.