ECLI:NL:CRVB:2008:BG9670

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-3326 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering ondanks gebruik Pravastatine en ploegendienst

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering in te trekken, waarbij hij stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met de effecten van het medicijn Pravastatine op zijn functioneren en met de mentale belasting door ploegendienst.

De rechtbank Rotterdam vernietigde het oorspronkelijke besluit en gaf het UWV opdracht een nieuw besluit te nemen, waarbij zij oordeelde dat de medische en arbeidskundige motivering onvoldoende inzichtelijk was, met name ten aanzien van de werktijden en ploegendienst.

Het UWV nam vervolgens een nieuw besluit op bezwaar, dat opnieuw werd bestreden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV in het nieuwe besluit voldoende had gemotiveerd dat Pravastatine geen invloed heeft op cognitief functioneren en dat de ploegendienststructuur geen mentale belemmering vormt.

De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank die het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond verklaarde en wees een proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

07/3326 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 mei 2007, 06/4792 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 31 december 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S.A. Ray, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. S.A. Ray. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 10 februari 2005 heeft het Uwv appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 10 april 2005 ingetrokken. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van
9 september 2005 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 9 september 2005 in haar uitspraak van 24 april 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Ten aanzien van de medische grondslag van het besluit van 9 september 2005 heeft de rechtbank geoordeeld dat de (bezwaar)verzekeringsarts geen rekening heeft gehouden met de effecten van het gebruik van het medicijn Pravastatine op appellants mogelijkheden om te functioneren in arbeid. Voor het overige heeft de rechtbank geoordeeld geen reden te zien om de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken. De arbeidskundige grondslag van het besluit van 9 september 2005 heeft de rechtbank, onderschreven behoudens dat deze niet voldoet aan de vereiste inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid in zoverre het de motivering betreft van de passendheid van de functies machinebediende voedingsmiddelenindustrie (SBC-code 271091), samensteller kunststof en rubberindustrie (SBC-code 271130) en operator chemische en kunststofverwerkende industrie (SBC-code 271122). Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant blijkens de FML beperkt is ten aanzien van het punt werktijden, waarbij is vermeld: “geen sterk onregelmatige diensten of ploegendiensten, structuur wenselijk” en dat in het betrokken besluit ten aanzien van dit aspect niet wordt aangegeven waarom van een grote onregelmatigheid in die functies geen sprake is. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
3. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 24 april 2006 heeft het Uwv op 10 november 2006 een nieuw besluit op bezwaar (bestreden besluit) genomen. Bij dit besluit is het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
5. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
6.1. De Raad stelt op basis van het verhandelde ter zitting allereerst vast dat de omvang van het geding in hoger beroep beperkt is tot in de eerste plaats de vraag of in het bestreden besluit voldoende rekening is gehouden met de effecten van het gebruik van het medicijn Pravastatine op appellants functioneren in arbeid en in de tweede plaats of de signaleringen ten aanzien van het aspect werktijden bij de functies machinebediende voedingsmiddelenindustrie, samensteller kunststof en rubberindustrie en operator chemische en kunststofverwerkende industrie thans voldoende zijn toegelicht.
6.2. In zijn rapport van 14 juli 2006 heeft de bezwaarverzekeringsarts – kort samengevat – aangegeven dat het middel Pravastatine een zogenaamde cholesterolremmer is, dat in het repertorium geen melding wordt gemaakt van enige beïnvloeding van het cognitief functioneren of de reactiesnelheid en dat het gebruik hiervan aan het verrichten van arbeid in het geheel niet in de weg staat. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv hiermee afdoende heeft gemotiveerd waarom het gebruik van Pravastatine geen belemmeringen geeft voor het verrichten van de voor appellant geduide functies.
6.3. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 7 juli 2006, na overleg met de bezwaarverzekeringsarts, gemotiveerd aangegeven dat de vorm van ploegendienst die in de geselecteerde functies voorkomt geen beperking in de zin van mentale belasting voor appellant betekent omdat in deze vorm van ploegendienst wel sprake is van structuur. Met de rechtbank is de Raad eveneens van oordeel dat thans voldoende is gemotiveerd waarom de aan appellant geduide functies geschikt zijn.
6.4. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
7. De Raad acht geen termen aanwezig voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Riphagen en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 december 2008.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) A.L. de Gier.
JL