ECLI:NL:CRVB:2008:BG9672
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking ziekengeld wegens geschiktheid voor arbeid na WAO-herbeoordeling
Appellante viel in maart 2001 uit wegens depressieve klachten en ontving een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling in 2003 werd vastgesteld dat zij beperkingen had, maar geschikt was voor gangbare arbeid, waarna haar WAO-uitkering werd ingetrokken.
In 2005 meldde appellante zich ziek wegens rug-, nek- en psychische klachten en ontving zij een WW-uitkering. In oktober 2006 stelde een verzekeringsarts vast dat zij geschikt was voor functies als inpakker, productiemedewerker en medewerker tuinbouw, waarop het UWV het ziekengeld introk.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond, en ook in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat appellante geen nieuwe medische gegevens had aangeleverd die tot twijfel konden leiden. De Raad zag geen aanleiding voor nader medisch onderzoek en bevestigde het besluit tot intrekking van het ziekengeld.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van het ziekengeld wordt bevestigd.