ECLI:NL:CRVB:2008:BG9712
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Anw-uitkering en herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1982 een uitkering op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, later omgezet in een Anw-uitkering, en vanaf 2003 een AOW-pensioen volgens de norm voor ongehuwden. De Sociale Verzekeringsbank beëindigde per 1 juni 1999 de Anw-uitkering en herzag het AOW-pensioen per 1 oktober 2003 naar de gehuwdennorm, omdat appellante sedert mei 1999 een gezamenlijke huishouding voert met haar partner.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad achtte doorslaggevend de verklaringen van appellante en haar partner, afgelegd onder ambtseed tegenover sociaal rechercheurs, waarin zij hun gezamenlijke huishouding bevestigden. Appellante kon niet aannemelijk maken dat deze verklaringen onjuist waren of onder druk tot stand kwamen.
De Raad stelde vast dat appellante haar informatieplicht schond door de gezamenlijke huishouding niet tijdig te melden. Er waren geen dringende redenen om af te zien van intrekking van de Anw-uitkering of herziening van het AOW-pensioen. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de Anw-uitkering en herziening van het AOW-pensioen bevestigd.