ECLI:NL:CRVB:2008:BG9712

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4667 Anw-AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
  • J.M.A. van der Kolk-Severijns
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 AnwArt. 16 lid 1 en 2 AnwArt. 17a lid 1 AOWArt. 34 lid 1 en 2 AnwArt. 35 Anw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Anw-uitkering en herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding

Appellante ontving sinds 1982 een uitkering op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, later omgezet in een Anw-uitkering, en vanaf 2003 een AOW-pensioen volgens de norm voor ongehuwden. De Sociale Verzekeringsbank beëindigde per 1 juni 1999 de Anw-uitkering en herzag het AOW-pensioen per 1 oktober 2003 naar de gehuwdennorm, omdat appellante sedert mei 1999 een gezamenlijke huishouding voert met haar partner.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad achtte doorslaggevend de verklaringen van appellante en haar partner, afgelegd onder ambtseed tegenover sociaal rechercheurs, waarin zij hun gezamenlijke huishouding bevestigden. Appellante kon niet aannemelijk maken dat deze verklaringen onjuist waren of onder druk tot stand kwamen.

De Raad stelde vast dat appellante haar informatieplicht schond door de gezamenlijke huishouding niet tijdig te melden. Er waren geen dringende redenen om af te zien van intrekking van de Anw-uitkering of herziening van het AOW-pensioen. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de Anw-uitkering en herziening van het AOW-pensioen bevestigd.

Uitspraak

07/4667 Anw/AOW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 27 juni 2007, 06/2615 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)
Datum uitspraak: 30 december 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S. van der Linden, advocaat te Harderwijk, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2008. Appellante is verschenen in gezelschap van [K.] en bijgestaan door mr. Van der Linden. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Weerd, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontving sedert 1 november 1982 een uitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet, welke uitkering per 1 juli 1996 ambtshalve is omgezet in een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Aansluitend is appellante met ingang van 1 oktober 2003 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend naar de norm voor een ongehuwde.
1.2. Bij twee afzonderlijke besluiten van 8 augustus 2006 heeft de Svb de Anw-uitkering van appellante per 1 juni 1999 beëindigd en haar AOW-pensioen met ingang van 1 oktober 2003 herzien naar de norm voor gehuwden zonder toeslag. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante sedert mei 1999 een gezamenlijke huishouding voert met
[K.] (hierna: [K.]).
1.3. Bij besluit van 6 november 2006 heeft de Svb de tegen de besluiten van 8 augustus 2006 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 6 november 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Voor de in dit geding van toepassing zijnde wettelijke bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
4.2. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat appellante sedert mei 1999 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [K.]. De rechtbank heeft daarbij terecht doorslaggevend geacht de afzonderlijk door appellante en [K.] op 4 april 2006 tegenover de sociaal rechercheurs afgelegde en op ambtseed/-belofte opgemaakte verklaringen. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding appellante en [K.] niet te houden aan hun in eerste instantie afgelegde verklaringen. Dat deze verklaringen onjuist zijn of om een andere reden buiten beschouwing moeten worden gelaten, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat de verklaring van [K.] zeer gedetailleerd is en dat de verklaring van appellante daarmee in grote lijnen overeenstemt. Daar komt bij dat beide verklaringen na voorlezing door zowel appellante als [K.] zijn ondertekend en door hen per pagina voor akkoord zijn getekend. De Raad acht niet aannemelijk gemaakt dat appellante en/of [K.] daarbij onder ontoelaatbare druk zijn gezet. Dat appellante in haar ogen zeker aanvankelijk slechts een Lat-relatie met [K.] onderhield, werpt geen ander licht op de zaak aangezien, naar vaste rechtspraak van de Raad, niet van belang is hoe betrokkenen hun woon- en leefsituatie zelf beleven of kwalificeren, maar bepalend is of aan de criteria van artikel 3, derde lid, van de Anw en artikel 1, vierde lid, van de AOW (kort gezegd: samen hoofdverblijf in dezelfde woning en wederzijdse zorg) is voldaan. Vaststaat verder dat appellante van de gezamenlijke huishouding met [K.], in strijd met de ingevolge artikel 35 van Pro de Anw en artikel 49 van Pro de AOW op haar rustende informatieplicht, niet onverwijld uit eigen beweging mededeling heeft gedaan aan de Svb.
4.3. Het voorgaande brengt mee dat het recht van appellante op een nabestaandenuitkering ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, en het tweede lid van dat artikel, eindigde op 1 juni 1999. De Svb was dan ook op grond van artikel 34 van Pro de Anw gehouden de nabestaanden uitkering met ingang van 1 juni 1999 in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende reden als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw op grond waarvan de Svb geheel of gedeeltelijk van intrekking kon afzien.
4.4. Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat de Svb, gelet op artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW, het AOW-pensioen van appellante terecht met ingang van 1 oktober 2003 heeft herzien. In hetgeen van de zijde van appellante naar voren is gebracht ziet de Raad evenmin dringende redenen op grond waarvan de Svb bevoegd was om geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien.
4.5. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4.6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Sharma als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 december 2008.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) S.R. Sharma.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.
IJ