ECLI:NL:CRVB:2008:BG9902
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- J. Riphagen
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschiktheid functies en toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering na bezwaar
Appellant, werkzaam als schilder, viel in 2000 uit wegens gezondheidsklachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend. Na hervatting van werk als chauffeur in 2004, meldde hij zich in 2005 opnieuw ziek. Het UWV stelde beperkingen vast en duidde functies met een verlies aan verdiencapaciteit van circa 32%. Na bezwaar en aanvullend medisch onderzoek werd dit percentage bijgesteld naar 44,21% en werd de WAO-uitkering verhoogd naar 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond vanwege onvoldoende motivering van het UWV over de geschiktheid van de functie medewerker textielindustrie, met name ten aanzien van productiepieken en deadlines. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft echter de medische beoordeling van het UWV en oordeelt dat de productiepieken seizoensgebonden zijn en geen onuitstelbare deadlines kennen. De functies zijn medisch geschikt voor appellant.
Het hoger beroep richt zich vooral op de medische beoordeling, maar appellant slaagt er niet in dit met voldoende bewijs te onderbouwen. Het UWV heeft een verbeterde motivering gegeven en het bestreden besluit gehandhaafd. De Raad verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot vaststelling van een WAO-uitkering van 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.