ECLI:NL:CRVB:2009:BG9166
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld en terugvordering na intrekking WAO-uitkering
Appellant, voorheen werkzaam als sloper, kreeg per 12 november 1977 een WAO-uitkering toegekend die op 30 december 2003 werd ingetrokken omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Op 3 januari 2005 meldde appellant zich ziek tijdens een WW-uitkering. Het UWV weigerde ziekengeld vanaf 19 september 2005, omdat appellant volgens medisch onderzoek geschikt was voor de functies die ten grondslag lagen aan de WAO-beoordeling.
Appellant voerde aan dat hij de functies vanwege zijn beperkingen niet kon vervullen en dat de heroverweging in bezwaar onvoldoende was. De Raad oordeelde dat onder 'zijn arbeid' in de Ziektewet wordt verstaan de functies geselecteerd bij de WAO-beoordeling en dat appellant pas ongeschikt is als hij voor alle functies ongeschikt is. De rechtbank had het beroep tegen het weigeren van ziekengeld terecht ongegrond verklaard.
Verder werd het doorbetaalde ziekengeld over de periode van 19 september tot 20 november 2005 onverschuldigd betaald geacht en teruggevorderd. Appellant stelde dat de terugvordering onredelijk was, maar de Raad vond geen dringende reden om van terugvordering af te zien. De aangevallen uitspraken werden bevestigd. De Raad vond dat het medische onderzoek in bezwaar adequaat was en dat appellant geen medische informatie had ingebracht die het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts zou ondermijnen.
Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van ziekengeld en de terugvordering van onverschuldigd betaald ziekengeld.