ECLI:NL:CRVB:2009:BG9582
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering medische geschiktheid
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering te beëindigen per 19 maart 2006. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen, veroorzaakt door fibromyalgie en rugklachten, waren onderschat, met name ten aanzien van dynamische handelingen, zitten, staan, lopen en samenwerken.
De Raad beoordeelde het medisch onderzoek en de vastgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en concludeerde dat de beperkingen van appellante in de voorgehouden functies niet werden overschreden. Wel oordeelde de Raad dat de motivering omtrent de medische geschiktheid van de functies pas in hoger beroep toereikend was gegeven, wat reden was voor vernietiging van het besluit en de aangevallen uitspraak.
De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand. De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van de proceskosten en vergoedde het betaalde griffierecht aan appellante. Het verzoek om het onderzoek te heropenen vanwege een nieuwe psychiater werd afgewezen wegens onvoldoende aanleiding.
Uitkomst: Besluit tot beëindiging WAO-uitkering vernietigd wegens onvoldoende motivering, rechtsgevolgen blijven in stand.