ECLI:NL:CRVB:2009:BG9686
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en verzwegen samenwoning
Appellant voerde hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Breda waarin het beroep tegen een besluit van het College van burgemeester en wethouders van Etten-Leur werd afgewezen. Het College had de kosten van bijstand die aan betrokkene waren verstrekt over de periode van 1 september 2002 tot en met 29 februari 2004 teruggevorderd van appellant, omdat sprake was van verzwegen samenwoning en daardoor onterecht verstrekte bijstand.
De Raad stelde vast dat appellant en betrokkene gedurende genoemde periode een gezamenlijke huishouding voerden, waarbij appellant zijn hoofdverblijf in de woning van betrokkene had. Dit werd onder meer bevestigd door verklaringen van betrokkene, getuigenverklaringen en het dossieronderzoek van de afdeling fraudebestrijding. De Raad benadrukte dat de subjectieve beleving van de betrokkenen over samenwoning niet doorslaggevend is, maar dat objectieve criteria beslissend zijn.
Gelet op artikel 59, tweede lid, van de WWB was het College bevoegd om de kosten van de ten onrechte verleende bijstand mede van appellant terug te vorderen. Het beleid van het College werd door de Raad niet onredelijk bevonden en er waren geen bijzondere omstandigheden om daarvan af te wijken. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 januari 2009.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van bijstandskosten van €26.332,68 wordt bevestigd.