ECLI:NL:CRVB:2009:BG9710
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toeslag met terugwerkende kracht na 18e verjaardag kind
Appellante ontving een toeslag op haar WAO-uitkering op grond van de Toeslagenwet, welke door het UWV met ingang van 16 januari 2003 werd ingetrokken omdat haar dochter die dag 18 jaar werd. Het bezwaar van appellante tegen deze intrekking werd door het UWV ongegrond verklaard en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat het voor haar niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij ten onrechte toeslag ontving en dat de intrekking met terugwerkende kracht in strijd was met rechtszekerheid. Zij verwees naar telefonisch contact met het UWV, waarin haar zou zijn meegedeeld dat zij het teveel ontvangen bedrag niet hoefde terug te betalen.
De Raad overwoog dat het beleid van het UWV om toeslagen te herzien met terugwerkende kracht wanneer het voor belanghebbenden redelijkerwijs duidelijk was dat zij ten onrechte uitkering ontvingen, aanvaardbaar is. Appellante betwistte niet dat zij per 16 januari 2003 geen recht meer had op toeslag, maar kon dit volgens de Raad redelijkerwijs wel weten, mede omdat zij hierover geïnformeerd was en zelf contact had opgenomen met het UWV.
Telefonische mededelingen van het UWV werden niet als voldoende ondubbelzinnig en schriftelijk bewijs gezien om van de intrekking af te zien. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de toeslag met terugwerkende kracht vanaf 16 januari 2003.