ECLI:NL:CRVB:2009:BH0150

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1998 WAO + 08-5230 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen intrekking WAO-uitkering en beoordeling belastbaarheid

Appellante stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat zij medisch meer beperkt is dan door het UWV en de rechtbank was aangenomen, en dat zij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet kan vervullen. De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard en het UWV had haar WAO-uitkering ingetrokken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

Het UWV nam op 26 augustus 2008 een nader besluit op bezwaar, waarbij het bezwaar van appellante alsnog gegrond werd verklaard en de WAO-uitkering onveranderd werd gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Appellante voerde in hoger beroep geen nieuwe medische grieven aan en onderbouwde haar eerdere stellingen niet met medische verklaringen.

De Raad oordeelde dat de medische grondslag juist was vastgesteld en dat de functies binnen de vastgestelde belastbaarheid van appellante vielen. De stelling van appellante dat zij als pakketbezorgster 60-80 uur per week werkte, werd niet onderbouwd en door het UWV gemotiveerd weerlegd. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep tegen het besluit op bezwaar van 29 december 2005 gegrond en het besluit vernietigd, maar verklaarde het beroep tegen het nadere besluit op bezwaar van 26 augustus 2008 ongegrond.

De Raad veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het UWV het betaalde griffierecht aan appellante vergoedt.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit op bezwaar van 29 december 2005 wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, het beroep tegen het nadere besluit op bezwaar van 26 augustus 2008 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

07/1998 WAO + 08/5230 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 februari 2007, 06/153
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend (zaak 07/1998 WAO).
Op 26 augustus 2008 heeft het Uwv een nader besluit op bezwaar genomen. De Raad heeft aan beide partijen meegedeeld dat hij over dat besluit tevens een oordeel zal geven (zaak 08/5230 WAO).
De beide zaken zijn ter zitting op 5 december 2008 ter behandeling aan de orde gesteld. Geen van beide partijen is verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 29 december 2005 heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 25 juli 2005 waarbij het de aan appellante per 22 mei 2001 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35% toegekende WAO-uitkering per 22 september 2005 heeft ingetrokken onder overweging dat die mate minder dan 15% is gaan bedragen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 29 december 2005 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen op grond van de beschikbare medische gegevens van oordeel te zijn dat ten aanzien van appellante de juiste functionele mogelijkheden zijn vastgesteld, dat appellante niet aannemelijk heeft weten te maken zij met inachtneming van de voor haar vastgestelde medische beperkingen de aan de schatting ten grondslag liggende functies niet kan vervullen, dat wat die functies betreft niet is kunnen blijken van overschrijding van de belastbaarheid van appellante en dat haar resterende verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt.
3. In hoger beroep heeft appellante wat haar grieven betreft volstaan met verwijzing naar hetgeen zij eerder in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. In essentie komt dat erop neer dat zij zich medisch meer beperkt acht dan door het Uwv en de rechtbank is aangenomen en dat zij dus de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet kan vervullen.
4.1. Bij nader besluit op bezwaar van 26 augustus 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 25 juli 2005 alsnog gegrond verklaard, dat besluit gesteld in de plaats van zijn besluit op bezwaar van 29 december 2005, besloten de WAO-uitkering aan appellante per 22 september 2005 alsnog onveranderd te baseren op een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35% en de door appellante in verband met de behandeling van haar bezwaar gemaakte kosten (van rechtsbijstand) vergoed tot een bedrag van € 644,--. Daartoe is het Uwv overgegaan op grond van de uitspraak van de Raad van 2 maart 2007, LJN AZ9652, met betrekking tot het (niet mogen) maximeren van de urenomvang van de maatman, welke omvang in het geval van appellante door het Uwv reeds in 2001 op 50,74 uur per week is gesteld en sedertdien is gehouden.
4.2. Ten aanzien van dat nadere besluit op bezwaar heeft appellante aangegeven dat daarmee niet volledig aan haar bewaar is tegemoetgekomen, aangezien zij zich per
21 juli 2005 (lees: 22 september 2005, de datum in geding) volledig arbeidsongeschikt acht en dan ook van mening is per 22 september 2005 aanspraak te hebben op een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, althans op een WAO-uitkering met indeling in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse dan 25-35%.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. Het nadere besluit op bezwaar van 26 augustus 2008 brengt met zich dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar van
29 december 2005 gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en het Uwv veroordelen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 966,-- wegens in beroep en in hoger beroep verleende rechtsbijstand. Aangezien in beroep evenals in hoger beroep krachtens de Wet op de rechtsbijstand een toevoeging is verleend, zal dat bedrag moeten worden betaald aan de griffier van de Raad.
5.3. Rijst vervolgens de vraag of het nadere besluit op bezwaar van 26 augustus 2008, waarbij niet volledig aan het bezwaar van appellante is tegemoetgekomen, in stand kan blijven.
5.4. Tegen dit nadere besluit heeft appellante in medisch opzicht geen andere grieven aangevoerd dan in hoger beroep onder verwijzing naar hetgeen zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Appellante heeft haar grieven in hoger beroep niet onderbouwd door een of meer medische verklaringen te overleggen. De Raad kan zich vinden in het gemotiveerde oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van een onjuiste medische grondslag.
5.5. Het is de Raad niet kunnen blijken dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies de grenzen van de in de door de bezwaarverzekeringsarts op 3 november 2006 op het aspect buigen aangescherpte FML (dat wil zeggen, de zogenoemde verstopte beperking op dit punt is omgezet in een beperking) vastgelegde belastbaarheid van appellante te buiten gaan. Appellante heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat zij in medisch opzicht de aan de schatting ten grondslag liggende functies niet kan vervullen, maar dat standpunt is voortgekomen uit haar opvatting dat haar belastbaarheid in de FML niet juist is vastgesteld.
5.6. Appellante heeft in bezwaar gesteld dat zij in haar maatmanfunctie van pakketbezorgster gemiddeld 60-80 uur per week werkzaam was. Die stelling is door haar in het geheel niet onderbouwd, is door de bezwaararbeidsdeskundige in diens rapport van 28 december 2005 gemotiveerd weerlegd en is door het Uwv bij het besluit op bezwaar van 29 december 2005 niet gehonoreerd. In beroep heeft appellante die stelling niet opnieuw geponeerd. Voor zover appellante heeft bedoeld die stelling in hoger beroep te handhaven, kan die niet tot vernietiging van het nadere besluit op bezwaar van 26 augustus 2008 leiden, omdat niets in de gedingstukken wijst in de richting van een maatmanomvang van meer dan 50,74 uur per week waarvan het Uwv is uitgegaan. Andere grieven van louter arbeidskundige aard zijn door appellante niet aangevoerd.
5.7. In haar inleidende en ook aanvullende hoger beroepschrift heeft appellante gevraagd om (schade-)vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen WAO-uitkering. De Raad gaat ervan uit dat het Uwv daartoe naar aanleiding van zijn nadere besluit van 26 augustus 2008 zoals inmiddels te doen gebruikelijk eigener beweging is overgegaan.
6. Uit het in 5.4 tot en met 5.7 overwogene volgt dat het nadere besluit op bezwaar van
26 augustus 2008 niet voor vernietiging in aanmerking komt. Te dien aanzien bestaat voor een proceskostenveroordeling van het Uwv geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar van 29 december 2005 gegrond en vernietigt dat besluit;
Verklaart het beroep tegen het nadere besluit op bezwaar van 26 augustus 2008 ongegrond;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 966,--, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op
16 januari 2009.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) A.C.A. Wit.
JL