ECLI:NL:CRVB:2009:BH0159

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4150 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks betwisting medische beperkingen

Appellante, die sinds 1999 wegens klachten aan het bewegingsapparaat en spanningsklachten haar functie niet meer kon uitoefenen, ontving een WAO-uitkering. Het UWV herzag deze uitkering in 2006 naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. Appellante maakte bezwaar, waarna zij werd ingedeeld in een iets hogere klasse, maar de rechtbank verklaarde het beroep tegen deze indeling ongegrond.

In hoger beroep betwist appellante dat haar klachten voldoende zijn meegewogen en overlegt medische verklaringen van fysiotherapeuten, huisarts en een arts. De Raad stelt echter vast dat geen van deze medische gegevens objectief afwijkingen aantonen die de beperkingen kunnen verklaren. De eigen mening van appellante over haar gezondheidstoestand weegt niet zwaar.

De Raad concludeert dat de beschikbare medische en arbeidskundige gegevens voldoende zijn om te oordelen dat appellante in staat is de voorgestelde functies te vervullen en ten minste 29,3% van haar maatmaninkomen te verdienen. Daarom bevestigt de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er worden geen proceskosten opgelegd.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellante onvoldoende objectief medisch bewijs heeft geleverd voor zwaardere beperkingen.

Uitspraak

07/4150 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 11 juni 2007, 06/1433
(hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 16 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. T. Meier, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2008. Namens appellante is verschenen haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer W.R. Bos.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank hieromtrent met juistheid in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. Hier volstaat de Raad met het volgende.
1.2. Appellante heeft in 1999 in verband met klachten aan het bewegingsapparaat en spanningsklachten haar fulltime functie van medewerkster binnendienst assurantiën bij Rabobank Eelde-Vries-Zuidlaren moeten staken. Zij ontving laatstelijk per 6 november 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
1.3. Bij besluit van 9 juni 2006 heeft het Uwv per 8 augustus 2006 de WAO-uitkering van appellante herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het namens appellante tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit op bezwaar van 10 november 2006 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard, waarna zij alsnog is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en de arbeidskundige grondslag van het besluit.
3.1. Het hoger beroep richt zich met name tegen het oordeel van de rechtbank dat het besluit rust op een voldoende medische grondslag. Appellante is van mening dat het Uwv haar klachten heeft onderschat en ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door haar ervaren beperkingen. Zij heeft daarbij naar voren gebracht dat deze klachten niet alleen door de fysiotherapeuten B.T.M. Beersma en C. Bron worden erkend, maar ook door de huisarts J. Rozeman. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft zij in hoger beroep nadere informatie overgelegd van de arts M.W. van Essen.
3.2. Het Uwv heeft door inzending van rapportages van de bezwaarverzekeringsarts
K.J. van Haeringen gereageerd op de stellingen van appellante. Het Uwv meent dat er geen reden is een ander standpunt in te nemen en is van mening dat de rechtbank het beroep van appellante terecht ongegrond heeft verklaard.
4.1. De Raad oordeelt als volgt.
4.2. De Raad verstaat de motivering van het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag zo dat er in de beroepsfase zijdens appellante geen (aanvullende) medische gegevens meer zijn ingebracht op basis waarvan zij tot de conclusie had moeten komen dat het bestreden besluit in rechte geen stand zou kunnen houden.
4.3. Ook de in hoger beroep aangedragen gegevens bieden, in het licht van het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de belastbaarheid van appellante is onderschat. De Raad heeft in zijn overwegingen betrokken dat, evenals blijkend uit de in een eerder stadium van de procedure overgelegde rapportages van de neurologen J.N. Wessel en J.B.M. van de Biezenbos, ook de arts Van Essen geen medisch objectiveerbare afwijkingen heeft kunnen vinden die de door appellante ervaren klachten kunnen verklaren. Aan de eigen mening met betrekking tot haar gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat appellante daaraan gehecht wil zien.
4.4. De Raad is tot het oordeel gekomen dat de beschikbare gegevens voldoende steun bieden om te oordelen dat appellante op 8 augustus 2006 op medische gronden naar objectieve maatstaf gemeten in staat moet worden geacht de haar door de arbeidsdeskundige J. Langebeeke voorgehouden functies te vervullen en met de daaraan verbonden werkzaamheden ten minste 29,3% van haar maatmaninkomen te verdienen.
4.5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard, zodat de uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) I.R.A. van Raaij.
KR