ECLI:NL:CRVB:2009:BH0292

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4700 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag

Appellant is het niet eens met de intrekking van zijn WAO-uitkering door het UWV, waarbij de uitkering per 25 maart 2006 werd stopgezet wegens een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% die niet langer werd geacht te bestaan.

De rechtbank Amsterdam oordeelde dat de medische gegevens, waaronder het rapport van de bezwaarverzekeringsarts en aanvullende medische informatie van behandelend specialisten, voldoende waren gemotiveerd en inzichtelijk waren beoordeeld. Ook de arbeidskundige beoordeling van drie functies passend bij de beperkingen van appellant werd als voldoende onderbouwd beschouwd.

In hoger beroep voert appellant aan dat de rechtbank ten onrechte het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts als voldoende inzichtelijk beschouwde en dat ten onrechte geen proceskostenveroordeling is uitgesproken. De Raad stelt vast dat deze grieven niet worden ondersteund door nieuwe medische gegevens en sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak en ziet geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De intrekking van de WAO-uitkering blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing.

Uitspraak

07/4700 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juli 2007, 06/3462 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 16 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. N. Velthorst, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2008. Namens appellant is -zoals tevoren was bericht- niemand verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer F.M.J. Eijmael.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak, gelet op de gedingstukken met juistheid, heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat aan de orde is de vraag of het Uwv bij het bestreden besluit van
13 juni 2006 terecht ongegrond heeft verklaard het door appellant gemaakte bezwaar tegen zijn beslissing van 31 januari 2006 om de laatstelijk naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% aan appellant verleende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), met ingang van 25 maart 2006 in te trekken.
2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat zij zich, in navolging van het gestelde in het rapport van 23 mei 2006 van de bezwaar-verzekeringsarts W.M. Koek, kan verenigen met de voor appellant opgestelde -in bezwaar nog aangepaste- Functionele mogelijkhedenlijst (FML). In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts de voorhanden zijnde medische gegevens uit de behandelend sector en de door appellant aangedragen medische gegevens op inzichtelijke wijze heeft beoordeeld, en aldus gemotiveerd aangegeven waarom de aangevoerde gronden niet leiden tot een ander oordeel.
2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de schatting is de rechtbank van oordeel dat voldoende is gemotiveerd waarom de drie door de bezwaararbeidsdeskundige P. Thoen geduide functies, gelet op de beperkingen van appellant, passend zijn.
3.1. In hoger beroep heeft appellants gemachtigde, onder verwijzing naar al hetgeen reeds eerder in de zaak is opgemerkt en aangehaald, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts voldoende inzichtelijk en begrijpelijk is. Voorts heeft hij gesteld dat uit de vorenomschreven grief logischerwijs volgt dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken.
3.2. De Raad stelt vast dat hetgeen in hoger beroep wordt aangevoerd in essentie hetzelfde is als hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd en niet met nieuwe gegevens van medische of andere aard wordt onderbouwd.
3.3. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. De Raad merkt daarbij nog op dat de bezwaarverzekeringsarts Koek de beschikking had over inlichtingen van de appellant behandeld medici, de orthopaedisch chirurg dr. M.F. van Trommel en de huisarts J.M. de Wit en ook kennis droeg van beoordelingen door de radiologen F. Crezee en J. Noordzij, die geen re?le afwijkingen hebben gevonden.
4.1. Het hiervoor overwogene brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
4.2. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) I.R.A. van Raaij.
JL