ECLI:NL:CRVB:2009:BH0380
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellante ontving sinds 1996 een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Na een medisch en arbeidskundig heronderzoek in 2004 trok het UWV de uitkering per 21 februari 2005 in. Appellante maakte bezwaar, dat werd ongegrond verklaard. De rechtbank vernietigde dit besluit echter omdat de arbeidskundige motivering pas in de beroepsfase voldoende inzichtelijk was gemaakt, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep betoogde appellante dat haar medische beperkingen te licht waren ingeschat en dat de geschiktheid van de geduide functies onvoldoende was gemotiveerd. Het UWV stelde dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en dat de geschiktheid van de functies voldoende was toegelicht, onder meer met rapporten van bezwaararbeidsdeskundigen, waaronder een recent rapport van juli 2008.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag en vond dat appellante haar stellingen niet met nieuwe medische gegevens had onderbouwd. Ook achtte de Raad de arbeidskundige motivering voldoende, mede gelet op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Kuiken. De Raad zag geen reden om het bestreden besluit te vernietigen en bevestigde de aangevallen uitspraak, waarmee de intrekking van de WAO-uitkering stand hield.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens voldoende medische en arbeidskundige motivering.