ECLI:NL:CRVB:2009:BH0533

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4477 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:58 AwbArt. 6:24 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang na herroeping WAO-besluit

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Alkmaar betreffende de intrekking van zijn WAO-uitkering. Het UWV nam op 1 december 2008 een nadere beslissing op bezwaar waarbij het bezwaar van appellant werd gegrond verklaard en het eerdere besluit van 25 april 2006 werd herroepen. Hierdoor behield appellant zijn recht op WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% vanaf 19 juni 2006.

De Raad overwoog dat met deze nadere beslissing het beroep van appellant geheel werd ingewilligd, waardoor er geen geschil meer bestond dat tot een uitspraak door de Raad kon leiden. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep, begroot op €322,-, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €106,-. Partijen waren niet verschenen bij de zitting van 3 december 2008.

De Raad besloot het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren en legde de proceskostenveroordeling op aan het UWV.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na herroeping van het besluit door het UWV.

Uitspraak

07/4477 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 12 juni 2007, 06/2779 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 19 november 2008 zijn namens appellant de gronden van het hoger beroep aangevuld. Het Uwv heeft bij brief van 24 november 2008 een medische rapportage van diezelfde datum overgelegd van de bezwaarverzekeringsarts
M. Hoogeboom-Copier, waarin op de aanvulling van de gronden wordt gereageerd.
Bij brief van 1 december 2008 heeft het Uwv een nadere beslissing op bezwaar van diezelfde datum ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 3 december 2008, waar partijen met bericht vooraf niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad heeft op 3 december 2008, zeer kort voor aanvang van de zitting, een nader schrijven van appellant ontvangen. Gelet op artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet, in samenhang met artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de Raad besloten dit schrijven niet in zijn beoordeling te betrekken.
2. De Raad stelt vast dat het Uwv op 1 december 2008 een nadere beslissing op bezwaar heeft genomen, waarbij het Uwv het bezwaar van appellant tegen zijn eerdere besluit van 25 april 2006 alsnog gegrond verklaart en dat besluit herroept. Dit betekent, zo heeft het Uwv daarbij aangegeven, dat appellant op en na 19 juni 2006 onveranderd recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Tevens heeft het Uwv bij deze nadere beslissing op bezwaar besloten de kosten die aan het bezwaar zijn verbonden te vergoeden tot een bedrag van € 644,-.
3. De Raad overweegt voorts dat het Uwv bij besluit van 16 augustus 2006 het bezwaar van appellant tegen zijn eerdere besluit van 25 april 2006, waarbij appellants WAO-uitkering, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 19 juni 2006 is ingetrokken, ongegrond had verklaard. Bij de nadere beslissing op bezwaar van 1 december 2008 heeft het Uwv het standpunt, neergelegd in de beslissing op bezwaar van 16 augustus 2006 gewijzigd en heeft hij het besluit van 25 april 2006 herroepen. Naar het oordeel van de Raad is met deze nadere beslissing op bezwaar door het Uwv geheel tegemoet gekomen aan het beroep van appellant, zodat, gelet op de artikelen 6:24 en 6:19, eerste lid, van de Awb, het beroep van appellant niet wordt geacht mede te zijn gericht tegen deze nadere beslissing op bezwaar van 1 december 2008.
4. Gelet op hetgeen hij heeft overwogen onder 2 en 3 stelt de Raad vast dat er thans geen sprake meer is van een geschil tussen partijen waarin de Raad uitspraak zou behoren te doen, zodat het hoger beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) T.J. van der Torn.
KR