ECLI:NL:CRVB:2009:BH0871

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2333 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek

Appellant, voormalig werknemer in de tuinbouw, ontving sinds 25 augustus 2000 een WAO-uitkering wegens geestelijke klachten met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is appellant onderzocht door verzekeringsarts Van Luntesburg, die vaststelde dat appellant duurzaam benutbare mogelijkheden heeft en geen fysieke beperkingen vertoont. De arbeidsdeskundige berekende het verlies aan verdienvermogen op ongeveer 4,9%.

Naar aanleiding van deze bevindingen werd de WAO-uitkering per 10 augustus 2005 beëindigd. Appellant maakte bezwaar, waarna een psychiater een aanvullende expertise verrichtte en bevestigde dat appellant beperkt is in conflicthantering, maar geen zwaardere beperkingen heeft. De bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige onderschreven de eerdere conclusies, waarna het bezwaar ongegrond werd verklaard.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) een juiste weergave gaf van de beperkingen van appellant. Ook de arbeidskundige onderbouwing werd als voldoende beoordeeld. Appellants bezwaren over ontbrekende informatie en onvolledigheden in de FML werden verworpen.

De Raad concludeerde dat geen sprake is van verborgen beperkingen en dat de schatting van het verlies aan verdienvermogen op een juiste wijze is gemaakt. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 14 januari 2009.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek.

Uitspraak

07/2333 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 15 maart 2007, 06/4677 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2008. Appellant is verschenen met bijstand van mr. M.H. Samama, advocaat en M. Amakran, zijn broer. Het Uwv heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant was in loondienst werkzaam in de tuinbouw. Aan de desbetreffende dienstbetrekking is een einde gekomen. Vanuit de Werkloosheidswet is appellant uitgevallen met klachten van geestelijke aard. Hem is met ingang van 25 augustus 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellant onderzocht door de verzekeringsarts N.L. van Luntesburg. Deze heeft geconstateerd dat er bij appellant duurzaam benutbare mogelijkheden zijn, omdat er geen onvermogen in persoonlijk en sociaal functioneren ten gevolge van een ernstige psychische stoornis bij appellant aanwezig is en hij lichamelijk gezond is. Er zijn geen fysieke beperkingen. Gelet op de duur, aard van de klachten en passiviteit is zwaar fysiek werk niet geadviseerd. Gelet op de klachten en medicamenteuze behandeling zijn er bij appellant verminderde mogelijkheden ten aanzien van arbeid in persoonlijk functioneren met betrekking tot hoge structurele werkdruk en complexe taken en sociaal functioneren, in het bijzonder met betrekking tot conflicthantering. De beperkingen voor het verrichten van arbeid heeft deze verzekeringsarts neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), gedateerd 20 mei 2005. De arbeidsdeskundige M.J.J. Hustings heeft vervolgens het verlies verdienvermogen van appellant berekend op 4,89%.
1.3. Bij besluit van 9 juni 2005 is appellants WAO-uitkering met ingang van 10 augustus 2005 beëindigd. Appellant heeft tegen het besluit van 9 juni 2005 bezwaar gemaakt. In het kader van de besluitvorming op het bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn de deskundige, psychiater E.F. van Ittersum ingeschakeld om een expertise over appellant te verkrijgen. Deze psychiater heeft op 17 februari 2006 gerapporteerd, waarbij hij tot de conclusie is gekomen dat appellant lijdt aan een dysthyme stoornis, matig ernstig (auto anamnestisch) en dat appellant beperkt is ten aanzien van conflicthantering. Vervolgens heeft de genoemde bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 23 februari 2006 geconcludeerd dat er ten aanzien van appellant sprake is van beperkte stemmingsklachten en deels cultuurbepaalde impulscontrolevermindering. De belastbaarheid van appellant, zoals weergegeven in de FML van 20 mei 2005 achtte deze bezwaarverzekeringsarts correct. De bezwaararbeidsdeskundige R.J.C. Hogeveen heeft in zijn rapport van 14 april 2006 het verlies aan verdienvermogen berekend op 4,9%. Bij besluit van 21 april 2006 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij achtte het medisch onderzoek dat is verricht door de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig. Ook de arbeidskundige kant van de bestreden besluitvorming kon de toetsing van de rechtbank doorstaan.
3. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
3.1. De Raad verwerpt appellants stelling dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is omdat de psychiater Van Ittersum ten onrechte niet de beschikking had over informatie van de behandelend psychiater M.S. Jessurun. De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts blijkens zijn rapport van 22 maart 2006 wel de beschikking had over informatie van de genoemde behandelend psychiater. Deze informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts meegewogen bij zijn oordeel over de FML van 20 mei 2005. Ook appellants grief dat verzekeringsarts Van Luntesburgs constatering dat appellant niet geschikt is voor zwaar fysiek werk geen vertaling heeft gevonden in de FML faalt. Appellant heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat in de FML zijn beperkingen voor het verrichten van arbeid onvolledig zijn weergegeven. De Raad voegt daaraan toe dat hem evenmin gebleken is dat in de toelichting bij bepaalde items van de FML zogenoemde verborgen beperkingen voorkomen.
3.2. De kritiek die appellant heeft op het gebruik van de functies huishoudelijk medewerker en medewerker tuinbouw bij de schatting treft geen doel. In de aan de schatting ten grondslag liggende arbeidskundige stukken heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden voor de aannemelijkheid van de stelling van appellant dat er onvoldoende signaleringen voorkomen in het resultaat functiebeoordeling met betrekking tot deze functies.
3.3. Hetgeen in 3.1 en 3.2 is overwogen leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. Voor een veroordeling in proceskosten is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) R.L. Rijnen.
GdJ