ECLI:NL:CRVB:2009:BH0933

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4343 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV tot intrekking van zijn WAO-uitkering, omdat zijn verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren voor zwaardere beperkingen dan opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Raad volgde de rechtbank en stelde vast dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig was verricht. Ook de aanvullende rapportages, waaronder die van psychiater Kleinsman, werden betrokken en gaven geen aanleiding tot het vaststellen van zwaardere beperkingen.

De door appellant overgelegde medische stukken betroffen een periode na de datum in geschil en konden daarom niet leiden tot een andere beoordeling. De Raad concludeerde dat de voorgehouden functies medisch geschikt zijn en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en er geen zwaardere beperkingen zijn vastgesteld.

Uitspraak

07/4343 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 14 juni 2007, 06/1011
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en heeft nog een schrijven van psychiater
E.D. Panneman van 9 oktober 2007 overgelegd alsmede een brief van 31 januari 2008 van het Centrum Indicatiestelling Zorg te Enschede.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.H. Harbers.
II. OVERWEGINGEN
1. Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van 6 juli 2006 (hierna: het bestreden besluit) waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit van 8 december 2005, strekkende tot intrekking per 9 februari 2006 van de naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% berekende uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering omdat zijn verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt.
2. Bij aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er onvoldoende grond is om tot het oordeel te komen dat het bestreden besluit berust op rapportages van (bezwaar)verzekeringsartsen die niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat er op grond van de stukken in het dossier onvoldoende aanknopingspunten zijn gevonden voor het oordeel dat op medisch objectiveerbare gronden meer of zwaardere arbeidsbeperkingen dienen te worden vastgesteld dan die welke door de verzekeringsarts in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 1 november 2005 zijn neergelegd en bij de rapportage van 4 juli 2006 van de bezwaarverzekeringsarts zijn bevestigd. Tevens heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met het arbeidskundig component van het bestreden besluit.
3. In hoger beroep heeft appellant zijn gronden herhaald.
4. In navolging van de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De Raad ziet geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat appellant door de primaire verzekeringsarts is onderzocht, dat appellant in de bezwaar-procedure, op instigatie van de bezwaarverzekeringsarts, is onderzocht door psychiater A.C.M. Kleinsman en dat de bezwaarverzekeringsarts de rapportage van psychiater Kleinsman van 30 juni 2006 alsmede beperkingen zoals vastgesteld door de primaire verzekeringsarts, in zijn heroverweging heeft betrokken. Appellant heeft met betrekking tot de datum in geding geen medische gegevens naar voren gebracht, op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat door de artsen verder-gaande beperkingen in de FML hadden moeten worden opgenomen. In de in hoger beroep door appellant overgelegde brieven van psychiater Panneman en het Centrum Indicatiestelling Zorg, ziet de Raad geen grond voor de stelling dat de beperkingen van appellant, zoals vastgesteld in de FML van 1 november 2005 zijn onderschat, nu deze stukken betrekking hebben op een periode gelegen ruim na de datum in geding.
5. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om ervan uit te gaan dat de aan appellant voorgehouden functies voor hem in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn.
6. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.
7. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2009.
(get.) A.T. de Kwaasteniet.
(get.) M.A. van Amerongen.
KR