ECLI:NL:CRVB:2009:BH0946

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-3525 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55 WWBArt. 18 lid 1 WWBArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen oplegging nachtopvangverplichting WWB

Betrokkene, een bijstandsgerechtigde volgens de Wet werk en bijstand (WWB), werd door het College van burgemeester en wethouders van Eindhoven verplicht gesteld gebruik te maken van nachtopvang. Dit besluit was gebaseerd op artikel 55 WWB Pro en had tot doel betrokkene te ondersteunen naar een stabiele woon- en leefsituatie.

De rechtbank 's-Hertogenbosch verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat de opgelegde verplichting buiten het kader van artikel 55 WWB Pro viel. Het College ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Tijdens de behandeling van het hoger beroep bleek dat betrokkene inmiddels over eigen huisvesting beschikt en op dat adres staat ingeschreven. Hierdoor was het opgelegde besluit feitelijk niet meer van toepassing en ontbrak het concrete procesbelang voor het hoger beroep. De Raad oordeelde dat het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk is, omdat het niet bedoeld is voor louter theoretische rechtsvragen zonder belang voor het geschil.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd omdat er geen kosten waren die voor vergoeding in aanmerking kwamen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 januari 2009.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

07/3525 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 23 april 2007, 06/4849 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
en
appellant.
Datum uitspraak: 5 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door H.L.P.M. van Helden, werkzaam bij de gemeente Eindhoven. Betrokkene is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Betrokkene ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Ten tijde hier in geding beschikte hij niet over eigen huisvesting.
1.2. Bij besluit van 15 februari 2006 heeft appellant betrokkene met toepassing van artikel 55 in Pro samenhang met artikel 18, eerste lid, van de WWB de verplichting opgelegd om gebruik te maken van de nachtopvang van Stichting [naam stichting 1] of [naam stichting 2], teneinde de weg naar een stabiele woon-, leef- en werksituatie mogelijk te maken en zo zelfstandig te kunnen voorzien in zijn kosten van bestaan.
1.3. Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 15 februari 2006 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het besluit van 31 oktober 2006 voor zover hier van belang vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit dient te nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de aan betrokkene opgelegde verplichting het kader van artikel 55 van Pro de WWB te buiten gaat.
3. De Raad overweegt omtrent de ontvankelijkheid van het hoger beroep ambtshalve als volgt.
3.1. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat betrokkene inmiddels over eigen huisvesting beschikt en op dit vaste adres staat ingeschreven. Daarmee is, naar de gemachtigde van appellant ter zitting heeft bevestigd, aan de opgelegde verplichting om van nachtopvang gebruik te maken iedere concrete betekenis ontvallen.
3.2. Gevraagd naar het processueel belang van appellant bij zijn hoger beroep, heeft de gemachtigde voorts verklaard dat dit belang uitsluitend is gelegen in de wens om, met het oog op andere gevallen, een uitspraak van de Raad te verkrijgen om de vraag of aan artikel 55 van Pro de WWB de bevoegdheid kan worden ontleend tot het opleggen van een verplichting zoals hier aan de orde. Volgens vaste rechtspraak is het rechtsmiddel van hoger beroep echter niet bedoeld voor de beantwoording van rechtsvragen die enkel van theoretisch belang zijn en geen betekenis hebben voor het aanhangige geschil.
3.3. Gelet op de verklaringen van de gemachtigde is de Raad dan ook van oordeel dat processueel belang bij het hoger beroep ontbreekt. Om die reden zal het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding, nu geen sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende kosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2009.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) B.E. Giesen.
IJ