ECLI:NL:CRVB:2009:BH0962
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-wonen op opgegeven adres
Appellant ontving een bijstandsuitkering op grond van de WWB, toegekend per 7 oktober 2004 op basis van inschrijving op een adres te Hoogezand. Na signalen dat appellant niet daadwerkelijk op dat adres woonde, waaronder het afsluiten van waterlevering vanaf april 2005, voerde het College onderzoek uit. Ondanks aanvankelijke twijfel werd in oktober/november 2005 vastgesteld dat appellant toen wel op het adres verbleef.
Vanaf 18 januari 2006 tot en met 31 januari 2006 werden diverse huisbezoeken afgelegd waarbij appellant niet werd aangetroffen en geen tekenen van bewoning werden geconstateerd. Het College besloot daarop de bijstand over deze periode in te trekken en het ten onrechte ontvangen bedrag terug te vorderen wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad stelt dat het College op grond van artikel 54 lid 3 WWB Pro bevoegd was de bijstand in te trekken en op grond van artikel 58 lid 1 WWB Pro de terugvordering te doen. De Raad acht de onderzoeksbevindingen toereikend en ziet geen reden om af te wijken van het beleid of terugvordering te matigen. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-wonen op het opgegeven adres.