ECLI:NL:CRVB:2009:BH0963
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- T. Hoogenboom
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid ondanks medische beperkingen
Appellante betwistte de intrekking van haar WAO-uitkering door het UWV, die was gebaseerd op een medische beoordeling waarbij haar arbeidsongeschiktheid op minder dan 15% werd vastgesteld. De rechtbank had het besluit van het UWV in stand gelaten, maar appellante ging in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek van het UWV zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische beperkingen van appellante juist waren vastgesteld. De bezwaarverzekeringsartsen onderschreven deze conclusies, en aanvullende medische stukken van appellante boden geen aanleiding tot twijfel aan de medische grondslag.
Ook de arbeidskundige beoordeling werd als voldoende gemotiveerd beoordeeld, waarbij de geschiktheid van de functies die ten grondslag lagen aan het besluit adequaat was toegelicht. Omdat het UWV pas in hoger beroep een correcte Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en toelichting gaf, werd het bestreden besluit als ondeugdelijk gemotiveerd aangemerkt.
De Raad vernietigde daarom het besluit en de aangevallen uitspraak van de rechtbank, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat appellante terecht minder dan 15% arbeidsongeschikt was geacht. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand omdat appellante terecht minder dan 15% arbeidsongeschikt is geacht.