ECLI:NL:CRVB:2009:BH0981
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvorderingsbesluit wegens verjaring onverschuldigde WAO-uitkering
Appellant ontving een WAO-uitkering die het UWV bij besluit van 2 mei 2003 herzag naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. Vervolgens vorderde het UWV bij besluit van 21 november 2005 een bedrag terug wegens onverschuldigde betalingen over de periode 1996-1999. Appellant stelde dat de terugvordering was verjaard, omdat het UWV al in 1998 bekend was met de feiten die tot terugvordering leidden.
De rechtbank verwierp het beroep op verjaring en handhaafde de terugvordering deels, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders. De Raad stelde vast dat het UWV al in juni 2000 bekend was met de relevante inkomensgegevens, waarmee de verjaringstermijn van vijf jaar was gestart. Omdat het eerste terugvorderingsbesluit pas in november 2005 werd genomen, was de vordering verjaard.
De Raad vernietigde het terugvorderingsbesluit en de uitspraak van de rechtbank, en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant. Hiermee werd het beroep van appellant gegrond verklaard en het besluit van het UWV herroepen.
Uitkomst: Het terugvorderingsbesluit van het UWV is vernietigd wegens verjaring van de vordering.