ECLI:NL:CRVB:2009:BH1030
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor arbeid
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar Ziektewet-uitkering per 18 september 2006 te beëindigen, omdat zij volgens het UWV niet langer ongeschikt was voor haar arbeid als gevolg van ziekte of gebreken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Het UWV stelde dat er geen nieuwe medische gegevens waren en dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, waarbij de bezwaarverzekeringsarts het dossier en medische rapporten had bestudeerd en appellante had gesproken. Er was sprake van psychosociale druk, maar geen ernstige psychiatrische ziekte. De arts concludeerde dat appellante geschikt was voor licht en psychomentaal niet veeleisend werk.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het UWV het besluit voldoende had gemotiveerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de Ziektewet-uitkering gehandhaafd.
Uitkomst: De intrekking van de Ziektewet-uitkering wordt bevestigd omdat appellante medisch geschikt is voor haar arbeid.