ECLI:NL:CRVB:2009:BH1038

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-655 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 6 Wet WIAArt. 2 SchattingsbesluitArt. 3 SchattingsbesluitArt. 4 SchattingsbesluitArt. 8:69 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugwijzing zaak over medische beoordeling WIA-uitkering wegens niet-verzekeringsarts

Betrokkene stelde beroep in tegen de weigering van een WIA-uitkering door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). De rechtbank Roermond oordeelde dat de primaire medische beoordeling was uitgevoerd door een arts in opleiding tot verzekeringsarts, wat in strijd zou zijn met wettelijke voorschriften. Hierdoor vernietigde de rechtbank het besluit en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen.

De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de rechtbank buiten de grenzen van het geding was getreden door dit punt te beoordelen, aangezien betrokkene dit niet had aangevoerd en het geen punt van openbare orde betreft. De Raad benadrukte dat hij ambtshalve geen onderzoek zal doen naar het ontbreken van een verzekeringsarts bij het primaire onderzoek.

De Raad oordeelde dat de rechtbank de medische grondslag van het besluit opnieuw moet beoordelen en verwees de zaak terug. De Raad gaf geen oordeel over de juistheid van de medische en arbeidskundige beoordeling, omdat dit niet aan de orde was gesteld. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de aangevallen uitspraak vernietigd voor zover aangevochten.

Uitkomst: Hoger beroep gegrond verklaard en zaak terugverwezen naar rechtbank voor nadere beoordeling van medische grondslag.

Uitspraak

07/655 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 december 2006, 06/1221 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 7 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft de Raad medegedeeld dat J. Kusters te Venlo voor hem als gemachtigde zal optreden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard. Betrokkene is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het besluit van appellant van 12 juni 2006 (bestreden besluit), waarbij de weigering van een uitkering ingevolge de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 2 januari 2006 is gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene, voor zover hier van belang, gegrond verklaard, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van het gestelde in die uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de primaire medische beoordeling heeft plaatsgevonden door een arts die geen verzekeringsarts is, maar in opleiding tot verzekeringsarts is. Voorts stelt de rechtbank vast dat de bezwaarverzekeringsarts zich heeft beperkt tot dossierstudie en dat deze niet bij de hoorzitting aanwezig is geweest. In dit geval zijn naar het oordeel van de rechtbank wezenlijke onderdelen van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet verricht door een verzekeringsarts. De rechtbank acht deze gang van zaken in strijd met artikel 6, zesde lid, van de Wet WIA en de artikelen 2, 3 en 4 van het Schattingsbesluit. Gelet op deze tekortkoming in de medische beoordeling kan de rechtbank niet concluderen dat betrokkene ingaande 2 januari 2006 in staat was de functies te vervullen die hem van de zijde van appellant zijn voorgehouden. Het bestreden besluit berust daarom volgens de rechtbank niet op een toereikende grondslag.
3. Appellant heeft tegen deze uitspraak aangevoerd dat de primaire medische beoordeling heeft plaatsgevonden door de arts B. de Veen. Uit diens rapportage blijkt dat een onderzoek is verricht conform alle regels, richtlijnen en protocollen. De arts heeft betrokkene uitgebreid onderzocht op het spreekuur, op inzichtelijke wijze gerapporteerd over zijn bevindingen en informatie vanuit de behandelend sector beoordeeld en meegewogen in zijn oordeelsvorming. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven zich met de bevindingen en conclusies van De Veen te kunnen verenigen. De rechtbank heeft ook geen inhoudelijke kritiek op het rapport van De Veen gegeven. Voor zover al aan de onderhavige beoordeling een gebrek kleeft, is dit volgens appellant in de bezwaarfase hersteld doordat de wel geregistreerde bezwaarverzekeringsarts de conclusies van
De Veen tot de zijne heeft gemaakt. Appellant is van mening dat het bestreden besluit berust op een juiste medische en arbeidskundige grondslag en verzoekt de Raad de aangevallen uitspraak te vernietigen en het inleidend beroep alsnog ongegrond te verklaren.
4.1. Met verwijzing naar zijn uitspraak van 31 oktober 2008 (LJN BG3672) ziet de Raad zich ambtshalve geplaatst voor de vraag of de rechtbank de in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de omvang van het geding gestelde grenzen in acht heeft genomen. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende. Betrokkene heeft in beroep aangevoerd dat hij en met hem de behandelend sector van mening is dat hij niet 38 uur per week en niet 8 uur per dag belastbaar is en dat voor hem een urenbeperking zou moeten gelden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een verklaring van de behandelend reumatoloog P.J.I. van ’t Pad Bosch van 27 april 2006 overgelegd. De rechtbank heeft ter zitting de vraag aan de orde gesteld of de arts De Veen verzekerings-arts is en, nadat was gebleken dat deze geen verzekeringsarts is, het bestreden besluit om die reden vernietigd. Aldus is de rechtbank buiten de door artikel 8:69, eerste lid, van de Awb afgebakende omvang van het geding getreden, nu betrokkene dit punt niet aan de orde heeft gesteld noch geacht kan worden aan de orde te hebben willen stellen, terwijl dit punt niet geacht kan worden van openbare orde te zijn.
4.2. De Raad wijst erop dat hij ook in zijn uitspraken van 18 juli 2007 (onder meer LJN BA9909) heeft overwogen dat hij geen aanleiding heeft gevonden het aspect dat het primaire medische onderzoek niet door een verzekeringsarts is gedaan ambtshalve te beoordelen. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.
4.3. De Raad zal de zaak terugwijzen naar de rechtbank omdat zij naar zijn oordeel nadere behandeling door de rechtbank behoeft. De rechtbank heeft zich niet uitgesproken over de vraag of appellant de juiste medische beperkingen voor betrokkene heeft aangenomen. Ook ter zitting bij de Raad is dit punt niet aan de orde geweest. De Raad zal dan ook thans geen oordeel geven over de stelling van appellant dat het bestreden besluit op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust. De rechtbank zal de medische grondslag van het bestreden besluit opnieuw moeten beoordelen. Pas dan kan een oordeel worden gegeven over de belastbaarheid van betrokkene, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst.
4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Wijst de zaak terug naar de rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2009.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) R.L. Rijnen.
MH