ECLI:NL:CRVB:2009:BH1230

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4570 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering in te trekken per 20 september 2006, omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou zijn. De rechtbank Leeuwarden verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef de medische en arbeidskundige grondslagen van het besluit.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het bezwaar niet zorgvuldig was heroverwogen, omdat de bezwaarverzekeringsarts haar niet persoonlijk had onderzocht, en dat haar trillende handen een beperking vormen die niet is meegenomen. Tevens stelde zij dat de in het verleden aangenomen duurbeperking ten onrechte niet werd gehandhaafd.

De Raad overweegt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, ook zonder persoonlijk onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts, die alle beschikbare medische gegevens heeft betrokken. Er is geen medische onderbouwing voor een beperking in uren of handgebruik op de datum van intrekking. De aan appellante toegewezen functies zijn medisch geschikt. Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

07/4570 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 11 juli 2007, 06/2736 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. N.E. van Uitert, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Op 25 november 2008 is namens appellante een brief aan de Raad gezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2008. Appellante en haar gemachtigde zijn, zoals was bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J. Langius.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 19 juli 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 20 september 2006 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.
2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 4 december 2006 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 december 2006, (hierna: het bestreden besluit), ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het Uwv niet onzorgvuldig heeft gehandeld doordat de bezwaarverzekeringsarts niet bij de hoorzitting aanwezig is geweest, het Uwv terecht geen beperking heeft aangenomen in verband met de trillende handen van appellante en evenzeer terecht geen zogenoemde duurbeperking heeft aangenomen. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv weliswaar onvoldoende heeft gemotiveerd dat appellante geschikt is voor haar eigen functie, maar dat de schatting in stand kan blijven omdat het Uwv appellante terecht in staat heeft geacht de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de drie aan haar geduide functies.
4. In hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht – kort weergegeven – dat in bezwaar geen zorgvuldige heroverweging heeft plaatsgevonden, omdat de desbetreffende bezwaarverzekeringsarts van het Uwv appellante niet zelf heeft onderzocht, dat het hand- en vingergebruik van appellante beperkt is door haar trillende handen en dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de in het verleden ten aanzien van haar aangenomen duurbeperking niet is gehandhaafd.
5. De Raad overweegt het volgende.
5.1. Met betrekking tot de grief van appellante dat zij niet is onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts, die in het kader van de bezwarenprocedure heeft gerapporteerd, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank over de afwezigheid van deze bezwaarverzekeringsarts ter hoorzitting en ziet hij evenmin aanleiding om het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig te achten. Hierbij acht de Raad van belang dat de desbetreffende bezwaarverzekeringsarts alle over appellante beschikbare medische informatie in zijn beoordeling heeft betrokken en voorts navraag heeft gedaan bij de verzekeringsarts die appellante in het kader van haar aanspraken ingevolge de Ziektewet op 11 mei 2006 heeft onderzocht en blijkens het van dat onderzoek opgemaakte verslag van 12 mei 2006 aan de handen geen afwijkingen heeft vastgesteld. Appellante heeft ten aanzien van de klachten over haar trillende handen geen nadere informatie naar voren gebracht. Onder deze omstandigheden acht de Raad het aanvaardbaar dat de desbetreffende bezwaarverzekeringsarts heeft afgezien van lichamelijk onderzoek.
In het licht van het bovenstaande kan de Raad voorts niet tot het oordeel komen dat het Uwv appellante ten onrechte niet beperkt heeft geacht in het gebruik van haar handen en vingers.
5.2. Met betrekking tot de grief van appellante dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de in het verleden aangenomen duurbeperking niet is gehandhaafd, in welk verband appellante een beroep heeft gedaan op informatie van een bedrijfsarts en van een arbeidsdeskundige, onderschrijft de Raad evenzeer het oordeel van de rechtbank. In de brief van de bedrijfsarts van 24 januari 2007 noch in de rapportage van de arbeidsdeskundige van 5 december 2006 over het verloop van de proefplaatsing van appellante, nog daargelaten dat deze berichten geen betrekking hebben op de in geding zijnde datum van 20 september 2006, wordt een medische onderbouwing gegeven voor een ten aanzien van appellante in aanmerking te nemen beperking van het aantal per dag of per week te werken uren.
5.3. Uitgaande van de juistheid van de ten aanzien van appellante vastgestelde medische beperkingen ziet de Raad geen aanleiding om te veronderstellen dat de aan appellante geduide functies in medisch opzicht niet voor haar geschikt zouden zijn.
6. Het hoger beroep van appellante slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en J. Riphagen en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2009.
(get.) H. Bolt.
(get.) A.L. de Gier.
GdJ