ECLI:NL:CRVB:2009:BH1540
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende onderbouwing geschiktheid functies
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering per 3 januari 2006 in te trekken, omdat hij zijn oorspronkelijke werk als sloper niet meer kon verrichten vanwege rugklachten, voetbezwaren en suikerziekte. Het UWV stelde dat appellant met gangbare arbeid ten minste 85% van zijn loon kon verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep herhaalde appellant dat zijn medische beperkingen onderschat waren en dat hij de hem als geschikt voorgehouden functies niet kon verrichten. De Raad onderschreef de medische grondslag van het UWV, mede op basis van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts, en hield rekening met de aard van de suikerziekte, waarbij geen wisselende of nachtelijke werktijden werden verlangd.
Het UWV heeft in hoger beroep voldoende toegelicht waarom de functies geschikt zijn. De Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit, verklaart het beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.