ECLI:NL:CRVB:2009:BH1577
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering en intrekking toeslag wegens werkzaamheden
Appellant ontving sinds 1980 een WAO-uitkering en vanaf 2002 een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Na een opsporingsonderzoek waarbij getuigenverklaringen en een verhoor van appellant plaatsvonden, concludeerde het Uwv dat appellant vanaf november 2002 als schoonmaker werkte en inkomsten genoot die niet overeenkwamen met zijn arbeidsongeschiktheid.
Het Uwv trok de toeslag in en vorderde onverschuldigde uitkeringen terug. Appellant betwistte de juistheid van zijn verklaring, omdat hij deze niet had kunnen nalezen, en stelde dat hij alleen zijn zoon hielp met toestemming van het Uwv. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wat door de Raad werd bevestigd.
De Raad vond de verklaring en getuigenverklaringen voldoende aannemelijk en verwierp het verweer dat appellant niet wist wat hij ondertekende. Ook was er geen aanleiding om af te wijken van de vastgestelde inkomsten. De intrekking van de toeslag stond vast omdat appellant geen rechtsmiddel had aangewend. Er waren geen dringende redenen om af te zien van terugvordering. Het hoger beroep werd daarom verworpen.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en terugvordering van onverschuldigde uitkering bevestigd.