ECLI:NL:CRVB:2009:BH1588

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4278 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtsgevolgen verlaging WAO-uitkering ondanks vernietiging besluit

Appellante, werkzaam als medewerkster tekstverwerking, viel op 1 juli 1997 uit wegens gewrichts- en psychische klachten. Zij kreeg per 30 juni 1998 een WAO-uitkering toegekend van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Het UWV besloot op 29 december 2005 de uitkering te verlagen naar 35-45% arbeidsongeschiktheid per 9 oktober 2005. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering in de primaire fase, maar liet de rechtsgevolgen in stand.

In hoger beroep betoogde appellante dat haar psychische beperkingen werden onderschat, dat nader medisch onderzoek bij haar huisarts had moeten plaatsvinden en dat de bezwaarverzekeringsarts niet voldoende rekening hield met medicijnbijwerkingen. De Raad oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig en juist was, dat de functionele mogelijkheden correct waren vastgesteld en dat de beschikbare gegevens voldoende waren om een verantwoord oordeel te geven.

De Raad onderschreef de rechtbank dat het dossieronderzoek door de bezwaarverzekeringsarts volstond en dat appellante haar stellingen onvoldoende had onderbouwd met medische stukken. Ook de rapportage over medicijnbijwerkingen was toereikend. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en liet de rechtsgevolgen van het besluit tot verlaging van de WAO-uitkering in stand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de rechtsgevolgen van het besluit tot verlaging van de WAO-uitkering blijven in stand.

Uitspraak

07/4278 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 juli 2007, 06/349
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. ing. J.G. van Ek, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2008, waar namens appellante haar gemachtigde is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.E.C. Veugen.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante, die werkzaam was als medewerkster tekstverwerking, is op 1 juli 1997 uitgevallen met gewrichtsklachten en psychische klachten. Aan appellante is per 30 juni 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidongeschiktheid van 80 tot 100%.
2. Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 29 december 2005 (het bestreden besluit) waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit van 8 augustus 2005 strekkende tot verlaging van de WAO-uitkering ingaande 9 oktober 2005 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, maar tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven, met bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en de arbeidskundige grondslag van het besluit, maar meent dat het bestreden besluit pas in de beroepsfase van een voldoende motivering is voorzien.
4. Namens appellante is in hoger beroep, evenals bij de rechtbank, aangevoerd dat appellante zwaardere arbeidsbeperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen. Met name zijn de psychische klachten door het Uwv onderschat. Aangevoerd is dat gelet op de aangegeven klachten navraag had dienen plaats te vinden bij de huisarts van appellante. Tevens had de bezwaarverzekeringsarts in de heroverweging niet kunnen volstaan met dossieronderzoek. Voorts is de (bezwaar)verzekeringsarts niet ingegaan op de bijwerkingen van de medicijnen die appellante in verband met haar klachten slikt.
5.1. De Raad oordeelt als volgt.
5.2. Het geschil tussen partijen is beperkt tot de vraag of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten. Daarbij staat centraal of het Uwv de functionele mogelijkheden van appellante correct heeft vastgesteld.
5.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak. De Raad is van oordeel dat de medische beoordeling van de in geding zijnde schatting op een juiste en zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat de mogelijkheden van appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid zoals weergegeven in de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 7 november 2006 niet zijn overschat. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de beschikbare gegevens voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellante op de in geding zijnde datum van 9 oktober 2005 om tot een verantwoord oordeel te komen. Daarbij blijkt uit het medische onderzoeksverslag van 10 juni 2005 dat een psychosociale anamnese is afgenomen en dat een lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden waarbij zowel de psychische als de gewrichtsklachten zijn onderzocht. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank zowel aangaande de grond dat in de primaire medische beoordeling geen informatie bij de huisarts van appellante is opgevraagd als met betrekking tot het dossieronderzoek door de bezwaarverzekeringsarts. Overigens heeft appellante haar stelling dat zij verdergaand beperkt is dan door het Uwv is aangenomen, in de bezwaar- noch in de beroepsprocedure onderbouwd met nadere medische stukken. Voor wat betreft de bijwerkingen van de medicijnen heeft bezwaarverzekeringsarts J.W. Heijltjes op 26 september 2007 naar het oordeel van de Raad genoegzaam gerapporteerd. De Raad schaart zich achter deze rapportage en overweegt dat appellante ook deze stelling in hoger beroep niet nader heeft onderbouwd.
5.4. De Raad stelt vast dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het besluit van
29 december 2005 in stand heeft gelaten. Het hoger beroep slaagt niet.
6. De Raad is van oordeel dat er geen grond bestaat om een van de partijen te veroordelen in de proceskosten als voorzien in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar
op 30 januari 2009.
(get.) A.T. de Kwaasteniet.
(get.) A.C.A. Wit.
KR