ECLI:NL:CRVB:2009:BH1588
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtsgevolgen verlaging WAO-uitkering ondanks vernietiging besluit
Appellante, werkzaam als medewerkster tekstverwerking, viel op 1 juli 1997 uit wegens gewrichts- en psychische klachten. Zij kreeg per 30 juni 1998 een WAO-uitkering toegekend van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Het UWV besloot op 29 december 2005 de uitkering te verlagen naar 35-45% arbeidsongeschiktheid per 9 oktober 2005. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering in de primaire fase, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep betoogde appellante dat haar psychische beperkingen werden onderschat, dat nader medisch onderzoek bij haar huisarts had moeten plaatsvinden en dat de bezwaarverzekeringsarts niet voldoende rekening hield met medicijnbijwerkingen. De Raad oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig en juist was, dat de functionele mogelijkheden correct waren vastgesteld en dat de beschikbare gegevens voldoende waren om een verantwoord oordeel te geven.
De Raad onderschreef de rechtbank dat het dossieronderzoek door de bezwaarverzekeringsarts volstond en dat appellante haar stellingen onvoldoende had onderbouwd met medische stukken. Ook de rapportage over medicijnbijwerkingen was toereikend. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en liet de rechtsgevolgen van het besluit tot verlaging van de WAO-uitkering in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de rechtsgevolgen van het besluit tot verlaging van de WAO-uitkering blijven in stand.