ECLI:NL:CRVB:2009:BH1656
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering in te trekken op grond van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank Utrecht had het beroep reeds ongegrond verklaard en de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit onderschreven.
In hoger beroep volhardt appellante in haar standpunt dat haar psychische beperkingen zijn onderschat en dat zij daardoor niet in staat is arbeid te hervatten. Het UWV handhaaft echter haar standpunt dat de medische beoordeling juist is. De Raad stelt vast dat er geen objectieve medische gegevens zijn die twijfel kunnen doen rijzen over de vastgestelde medische beperkingen en functionele mogelijkheden van appellante.
De Raad overweegt dat de ingebrachte aanvullende medische stukken van appellante, waaronder een begeleidingsplan en verslagen van gezinsbegeleiding, geen aanleiding geven het eerdere oordeel te herzien. Deze stukken betreffen grotendeels de situatie na de datum in geding en ondersteunen niet de door appellante gestelde beperkingen. De Raad ziet dan ook geen reden een deskundige te raadplegen.
Gelet op de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de juistheid van de conclusies bevestigt de Raad de aangevallen uitspraak en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.