ECLI:NL:CRVB:2009:BH1657

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4921 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld wegens loondoorbetalingsverplichting werkgever

Belanghebbende vorderde ziekengeld na zwangerschap, maar het UWV weigerde dit omdat de werkgever een loondoorbetalingsverplichting heeft. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de psychische klachten van belanghebbende verband houden met zwangerschap, mede omdat zij opnieuw zwanger was met dezelfde klachten.

De Raad oordeelde dat op grond van artikel 29a, vierde lid, ZW alleen recht op ziekengeld bestaat als de ongeschiktheid tot arbeid haar oorzaak vindt in de bevalling of zwangerschap. De medische rapportage van de bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat de psychische klachten vooral voortkomen uit het life-event van zwangerschap en bevalling, niet uit de zwangerschap zelf. Ook waren er bij de nieuwe zwangerschap geen depressieve klachten vastgesteld.

De Raad vond het standpunt van appellant dat het ziekengeld werd toegekend op grond van dezelfde psychische klachten ongegrond. Gezien de medische informatie en het feit dat belanghebbende al voor de zwangerschap depressieve klachten had, was het besluit van het UWV om geen ziekengeld toe te kennen terecht. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld aan belanghebbende wegens het ontbreken van een directe oorzaak in zwangerschap of bevalling.

Uitspraak

07/4921 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], h.o.d.n. [bedrijfsnaam], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 5 juli 2007, 06/8279 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen: N. Polat (hierna: belanghebbende).
Datum uitspraak: 21 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F.M. van den Boogerd, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Rijswijk, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2008. Appellant en belanghebbende zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Nicolai.
II. OVERWEGINGEN
1.1. De Raad verwijst voor de in het onderhavige geding van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak en volstaat hier met het volgende.
1.2. Bij besluit van 8 september 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 28 februari 2006, waarbij is bepaald dat aan belanghebbende met ingang van 7 november 2005 geen ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) wordt toegekend nu er voor appellant als werkgever een loondoorbetalingsverplichting bestaat, ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag een rapportage van 6 september 2006 van de bezwaarverzekeringsarts
J. Coehoorn, waarin deze heeft geconcludeerd dat de verzekeringsarts juist heeft vastgesteld dat de ongeschiktheid van belanghebbende niet haar oorzaak vindt in de zwangerschap of de bevalling.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de klachten van belanghebbende wel samenhangen met haar zwangerschap. Dit blijkt te meer uit de omstandigheid dat belanghebbende opnieuw zwanger is en te maken heeft met dezelfde klachten. Het Uwv heeft naar aanleiding van deze klachten voorlopig een ZW-uitkering verstrekt, aldus appellant.
4.1. De Raad oordeelt als volgt.
4.2. Ingevolge artikel 29a, vierde lid, van de ZW heeft de vrouwelijke verzekerde, nadat het recht op uitkering ingevolge de Wet arbeid en zorg is geëindigd, recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon, indien zij aansluitend ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap.
4.3. De Raad ziet op grond van de omtrent belanghebbende beschikbare medische informatie geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de betrokken bezwaarverzekeringsarts dat de psychische klachten van belanghebbende vooral hun oorzaak vinden in het ‘life-event’ van de zwangerschap en/of bevalling en dat deze klachten derhalve niet voortvloeien uit de zwangerschap of bevalling zelf. Daarbij tekent de Raad aan dat de bezwaarverzekeringsarts Coehoorn – evenals de verzekeringsarts – haar oordeel mede heeft gebaseerd op de informatie van de huisarts van belanghebbende van 10 april 2006, waaruit blijkt dat belanghebbende in januari 2005 hulp heeft gezocht voor haar depressieve klachten en relatieproblemen die op dat moment al ruim drie maanden speelden. Nu belanghebbende op
25 augustus 2005 is bevallen was zij in januari 2005 derhalve nog maar heel kort zwanger, aldus Coehoorn. De enkele mededeling van sociaal psychiatrisch verpleegkundige G. Bakhuizen van 4 september 2006 dat belanghebbende onder behandeling is in verband met depressieve klachten en dat de vastgestelde diagnose een post partum depressie is, doet hieraan volgens de bezwaarverzekeringsarts niet af.
4.4. Bij de toekenning van ziekengeld naar aanleiding van de nieuwe zwangerschap is, gelet op de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Coehoorn van 4 december 2007, gebleken dat sprake is van beperkingen in dynamische handelingen en statische houdingen als gevolg van klachten van misselijkheid, rug en bekken. Er is geen sprake van depressieve klachten. Naar het oordeel van de Raad treft het standpunt van appellant dat de toekenning van ziekengeld ten gevolge van de nieuwe zwangerschap is gebeurd op grond van dezelfde psychische klachten, derhalve geen doel.
5. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv terecht heeft besloten om belanghebbende met ingang van 7 november 2005 geen ziekengeld toe te kennen. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van der Vos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2009.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) M. van der Vos.
MH