ECLI:NL:CRVB:2009:BH1742

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-3786 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.G. Treffers
  • J.Th. Wolleswinkel
  • G.F. Walgemoed
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 76 BarpArt. 77 lid 1 aanhef en onder j BarpArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontslag wegens ernstig plichtsverzuim door ongeoorloofd raadplegen en verstrekken politie-informatie

Appellant, werkzaam sinds 1973 bij de politieregio, werd ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim. Hij had in de periode augustus tot en met december 2005 diverse malen politie-informatiesystemen geraadpleegd zonder noodzakelijk dienstbelang en informatie daarvan mondeling of per e-mail aan onbevoegden verstrekt. Dit leidde tot een disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag.

De korpsbeheerder stelde appellant bij brief van 10 juli 2006 in kennis van het voornemen tot ontslag en legde dit uiteindelijk bij besluit van 8 september 2006 op. Na bezwaar werd dit besluit gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad stelde vast dat het plichtsverzuim onbetwist was en dat er geen medische of andere omstandigheden waren die het gedrag van appellant konden verklaren of rechtvaardigen. De opgelegde straf werd niet als onevenredig beoordeeld, mede gelet op de hoge eisen aan betrouwbaarheid en integriteit binnen de politie. Het beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

De Raad wees ook op het integriteitsstatuut uit 1997, dat de verplichting tot geheimhouding en vertrouwelijkheid benadrukt. De lange staat van dienst en het financiële belang van appellant bij voortzetting van het dienstverband konden niet tot een andere uitkomst leiden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het ontslag wegens ernstig plichtsverzuim wordt bevestigd.

Uitspraak

07/3786 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 5 juni 2007, 07/178 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Korpsbeheerder van de politie[politieregio] (hierna: korpsbeheerder)
Datum uitspraak: 22 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2008, waar appellant is verschenen bijgestaan door mr. Th.J.J. Dierichs, advocaat te Herkenbosch. De korps-beheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.T.J.H. Berns, werkzaam bij CAPRA, en drs. A.F. Quaedvlieg, werkzaam bij de politieregio [politieregio] (hierna: politieregio).
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.
1.1. Appellant was sinds 1973 werkzaam bij de politieregio, laatstelijk als senior medewerker basispolitiezorg bij de districtsrecherche te [naam district].
In het kader van een strafrechtelijk onderzoek is op 5 januari 2006 verdachte G. door twee politieambtenaren van de politieregio verhoord. Na dit verhoor heeft G. van appellant afkomstige e-mailberichten getoond met onder meer politie-informatie uit het bedrijfsprocessensysteem (BPS) van de politieregio. Vervolgens is een strafrechtelijk onderzoek naar appellant ingesteld in verband met schending van het ambts/beroeps-geheim en is aan appellant bij brief van 30 maart 2006 een disciplinair onderzoek aangezegd.
1.2. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft de korpsbeheerder appellant bij brief van 10 juli 2006 in kennis gesteld van zijn voornemen om hem met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant gedurende het tijdvak van augustus 2005 tot en met december 2005 diverse malen politie-informatiesystemen heeft geraadpleegd, zonder dat enig dienstbelang daartoe noodzaakte, en informatie daaruit mondeling of per e-mail vanaf zijn werkplek heeft verstrekt aan een onbevoegde derde.
1.3. Bij besluit van 8 september 2006 heeft de korpsbeheerder appellant wegens ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd, met ingang van de dag volgend op de dag van uitreiking van het besluit. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 9 januari 2007.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
3.1. Tussen partijen is niet meer in geschil en ook voor de Raad staat vast dat appellant zich aan ernstig plichtsverzuim als bedoeld in artikel 76 van Pro het Barp heeft schuldig gemaakt. In hoger beroep is nog aan de orde of dit plichtsverzuim aan appellant valt toe te rekenen en of de opgelegde straf daaraan niet onevenredig is te achten.
3.2. De Raad is eerst van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het plichtsverzuim niet (volledig) aan appellant is toe te rekenen. Er zijn geen (medische) verklaringen of gegevens beschikbaar waaruit zou kunnen worden afgeleid dat appellant ten tijde van belang de onjuistheid van zijn handelen niet heeft kunnen inzien of niet in overeenstemming met dat inzicht heeft kunnen handelen.
3.3. De Raad acht voorts de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag gezien de aard en ernst van de gedragingen en de betekenis hiervan voor het functioneren van appellant binnen de politiedienst en de terecht gestelde eisen met betrekking tot betrouwbaarheid en integriteit van medewerkers van die dienst, niet onevenredig aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. Tegenover de stelling van appellant dat het integriteitsvraagstuk pas aan het eind van 2006 aandacht kreeg, geldt dat op politieambtenaren te allen tijde de verplichting tot vertrouwelijkheid en geheimhouding ter zake van, onder andere, politie-informatie rust. Dit is met de verspreiding van het uit 1997 daterende Integriteitsstatuut - waarmee ook appellant bekend mag worden verondersteld - nog eens is onderstreept. Dat appellant een lange staat van dienst heeft en groot (financieel) belang bij voorzetting van zijn dienstverband kan de Raad evenmin tot een ander oordeel brengen.
4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2009.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) M.B. de Gooijer.
HD